Herinneringen aan patriot-dichter Petőfi in Boedapest

Gerhild Tóth-van Rooij


Petőfi utca & Petőfi tér
Herinneringen aan patriot-dichter Petőfi in Boedapest. 'Sta op, het vaderland roept, Magyaren'

Museum, beeld, plein, straat.

In Boedapest ligt tussen Ferenciek tere en Martinelli tér de Sándor Petőfi utca met heerlijk veel winkels. Voorheen heette de straat Uri utca (Herenstraat) en ondanks de toenemende drukte is het een van de fijnste utca's te Pest. Op nr. drie staat een fraai negentiende eeuws huis van Józef Hild. (De ontwerper van de Hermina-kapel achter het Hôsök tere (heldenplein), in het Városliget of Stadspark aangelegd naar achttiende en negentiende-eeuws Frans voorbeeld van tuinarchitect Henri Nebbion.) Op nr. 6 is het József Katona Színház (theater) de moeite waard, ook om te bezoeken. Wie daarna wil uitwaaien op de fijne Donaupromenade tussen de Erzsébet- en de Kettingbrug (zie ook MM! 25) komt vanzelf bij de nationale dichter.

Op Petőfi tér staat het esthetische bronzen monument van de kunstenaar Adolf Húszár (1882) van de man die met volksliederen in eenvoudige vorm en zeker voor zijn tijd directe taal het hart van tijdgenoten wist te raken. Jong en oud staan er stil of zijn druk in gesprek over de man die in begrijpelijke taal politieke en menselijke vrijheidsidealen kon verwoorden. De vele bezetters en het heimwee naar het grote, oude Hongarije geven vrijheidsbeelden een grote impact. Het is symbolisch dat Petőfi tér vlakbij Március 15. tér ligt, met groots uitzicht over de Donau op de burchtheuvel. Petőfi-tér staat boven de vroegere vooruitgeschoven post van Aquincum waar het Donauveer bewaakt werd. Petőfi waakte op een andere manier. Hij wist de geest van de Franse Revolutie over te brengen in simpele woorden, via gedichten en balladen die werklieden van eenvoudige komaf ook raakten. De Nationale trots die uit zijn werk sprak en het opkomen voor de nationale belangen in een tijd waarin de gezagsverhoudingen in heel Europa anders lagen dan nu, sloegen in.

In dit Boedapest tuimel ik van het ene tijdsbeeld in het andere en veer moeiteloos terug in het heden. Met mijn westerse instelling zie ik nu nog de hoffelijkheid die bij die voorbije oude tijd past en die wij alleen in sprookjes of musicals zien, of waarover wij lezen. Bij de handkus en bloemrijke taal die wij in het verleden plaatsen, hoort ook de humor, soms doortrokken van melancholie. Sommige teksten van Petőfi verwijzen naar die sfeer, tegelijk zijn ze vanuit de woelige negentiende eeuw bezien de voorbode van een directere stijl. Vele Hongaren paren als geboren vertellers hun lyrisch uitwijden aan directer zeggen en je wordt, als je ervan houdt, juist daardoor meegesleept. Al snel kom je tot de ontdekking dat alleen zeer alert luisteren en lezen doorzicht geeft. Wie een Hongaar leest, bevindt zich in een complexe Midden-Europese geschiedenis, die openlijk of onderhuids een grote rol speelt in bijvoorbeeld karaktervormingen en plaatsbeschrijvingen. Het verwijzen naar de opstand van 1848 is daarbij een ijkpunt, net als Trianon en de jaarlijks herdachte Opstand in 1956.

Literair Pétőfi Irodalmi Múzeum
Hongarije eert dichters en strijders, in Petőfi zijn beide verenigd. De naar hem vernoemde Sándor Petőfi utca gaat over in de Károlyi Mihály utca en op nummer 16 staat daar het Petőfi Irodalmi Múzeum in het historisch belangrijke, oorspronkelijke barokpaleis uit 1697. (Men houdt op de binnenplaats concerten). In 1932-34 verbouwde de Weense architect Anton Pius Riegl het kolossale herenhuis in klassieke stijl. In 1848-1849 resideerde hier de Oostenrijkse generaal Julius Haynau om de Vrijheidsstrijders te verslaan. In dit paleis werd minister-president graaf Lajos Batthyány (afgebeeld op 2000 forint-munt uit 1998) gearresteerd. Op 6 oktober 1949 werd hij met 13 generaals terechtgesteld, vlakbij Szabadság tér, waar toen de kazerne 'het nieuwe gebouw' stond. De in 1926 door Móric Pogány ontworpen Batthyány örökmécses of eeuwige vlam, een bronzen lamp met kleine olievlam brandt voor hen op het driehoekig plein aan het eind van de Báthori utca niet ver van Szabadság tér. De straat is vernoemd naar de in 1875 geboren hoge adellijke Mihály Károlyi, eerste president van 1918-1919 die afzag van zijn titel. Toen hij in 1946 terugkeerde uit ballingschap, vroeg en kreeg hij omdat hij de propaganda van het communisme verwierp, snel politiek asiel in Frankrijk. De daar in 1955 gestorven Mihály was eigenaar van het Károlyi paleis waar een museumkamer aan herinnert. Bij Lajos Kossuth tér, is in 1975 ter ere van zijn 100ste geboortedag een levensgroot beeld van Imre Varga geplaatst waarop Mihály Károlyi onder twee onderbroken gotische bogen staat.

In een andere zaal over het tijdperk van hervormingen staat de schrijver van het volkslied Ferenc Kölcsey, die leefde van 1790 tot 1838 centraal. Ook rond dichter Miklós Radnóti die van 1909 tot 1944 leefde is een tentoonstelling ingericht. Petôfi, de literaire martelaar van de revolutie dankzij zijn schrijversschap en bijdrage aan de vrijheid wordt ruim belicht. Naast uiteenlopende memorabilia en de toegankelijke verzameling teksten van de in zijn tijd leidende Hongaarse poëet en andere auteurs zijn er kranten, manuscripten, boeken, periodieken en een geluidsarchief. Het museum brengt verder werk van enkele belangrijke kunstenaars en tijdelijke exposities over bij de revolutie aansluitende thema's of opvallende Hongaarse auteurs.

"Sta op Hongaar"
Nadat hij wegens geldgebrek met onderbrekingen het gymnasium
doorliep, diende Petőfi twee jaar in het leger om daarna rond te trekken als toneelspeler en bij een krant te werken. Op zijn negentiende, in 1842 publiceert hij in literair tijdschrift Athenaem zijn A Borozó, de wijndrinker, het is het begin van een lange reeks publikaties van en over hem. Hongaren citeren Petőfi en anderen zelfs tijdens zakelijke bijeenkomsten. Ze houden de herinnering levend aan de man die op zijn eenentwintigste een nationaal bekend dichter en revolutionair was. Het Nemzeti dal, nationaal lied Talpra Magyar, 'Sta op Hongaar', 'Op, het vaderland roept Magyaren' vormt het Leitmotief wanneer hij ter sprake komt. Házadnak renduletnül légy hive o Magyar, Wees je vaderland onvoorwaardelijk trouw, o Hongaar' werd met vele revolutionaire liederen van zijn hand enthousiast ontvangen. Nietzsche raakt bewogen door de bundel Felhők, Wolken. Kölcsey en de schrijver van de 'Ode aan het vaderland' Mihály Vörösmarty, die leefde van 1800 tot 1850 inspireerden de patriotten van 1848.

Vörösmarty's invloed in Boedapest, waar voor het eerst buitenlands drama van o.a. Shakespeare gespeeld wordt, is groot. Op Vörösmarty tér, niet ver van de Donau staat het door Ede Kállos en Ede Telecs ontworpen beeld met de Ode declamerende dichter. Het is omringd door o.a. een oude boer, student, moeder en kind, man in nationale dracht en herder die het Hongaarse volk symboliseren. Vörösmarty die voor toneel wijsgerig en romantisch drama schreef, maakte in 1825 naam met het epos Zalán Futása, Aftocht van Zalan. Het eerste couplet is in de sokkel gehouwen: Házadnak renduletlenül légy hive ó Magyar, Liefde en trouw aan het vaderland blijven jou, o Hongaar, altijd bij! (Uit angst voor barsten is het Italiaanse carara beeld 's winters in plastic gehuld.)

Vörösmarty zette Petőfi, die als vertaler van o.a. Heine en Shelley kennismaakte met hem, ertoe een bundel eigen gedichten te publiceren. A Helység kalapácsa, de hamer van het dorp was daarin opgenomen. In dit gedicht nam Petőfi het bombastische taalgebruik van de Romantiek op de hak, vanwege het succes kwam het in 1945 opnieuw uit. Datzelfde jaar bracht het serieuzere János vitéz, Jan de Held zijn echte doorbraak, snel gevolgd door Ciprusomlok, Cipressenlover en Szerelem gyöngyei, Liefdesparels. Het financiële succes, mede dankzij de erkenning in het Duitse taalgebied van o.a. Heine, maakte het mogelijk in 1847 te trouwen met zijn grote liefde Júlia Szendrey aan wie hij zoveel liefdesgedichten wijdde.

Nationaal Lied
In het niet meer bestaande koffiehuis Pilvax, ooit Buda's mooiste koffiehuis ontstonden de eerste strofen van het door de turbulente gebeurtenissen ontstane Nationaal lied. De dag erop, 15 maart 1848 riepen revolutionaire studenten op tot opstand tegen Oostenrijk. Vanuit Pilvax liep het Genootschap van tien met Sándor Petőfi voorop naar de Oude Stadsring. Hun vlugschriften waren in een bezette drukkerij gedrukt met het 'Nationaal lied' (dat kinderen ook nu uit het hoofd kennen!). Op de treden van het in 1802 gestichte Magyar Nemzeti Múzeum, MNM, declameerde Petőfi dit lied en las de Proclamatie van de Twaalf punten van het Hongaars programma: Persvrijheid (die zij met het ongecensureerde vlugschrift al in werking stelden), Een eigen regering in Budapest, Jaarlijks bijeenroepen van de Rijks- of Landdag. Het oprichten van een nationaal leger, Gelijkheid voor de wet, Hereniging met Zevenburgen, Afschaffing van lijfeigenen, Vrijlaten politieke gevangenen, Geloofsvrijheid, Volksvertegenwoordiging als uitbreiding van het kiesrecht, Invoering van een juryrechtbank, Gelijkheid voor de wet en een delegatie naar het Weense hof. Men wilde het Weense juk afwerpen en verzette zich tegen de door Maria Theresia gedwongen germanisering, die het Hongaars en andere talen verdrong. Met de proclamatie en het vrijheidslied lokten Petőfi en bondgenoten de revolutie uit, waarbij de 'Maartjeugd' vlammend de menigte toespreekt. Lajos Kossuth eist openlijk een Hongaarse regering, die onder leiding van graaf Lajos Batthyány metterdaad wordt ingesteld. Vooral de liberale edelen voeren de vrijheidsstrijd, maar al in 1849 slaan de Habsburgers de opstand neer. Oostenrijk riep de hulp in van een Russisch kozakkenleger, dat bij de strijd ook de burcht van Buda verwoest. In de tuin van het MNM staat een beeld van industrieel hervormer, graaf Széchenyi, die bij de revolutie betrokken wordt en minister van financiën wordt. Széchenyi, afgebeeld als ridder in de orde van het gulden vlies staat niet ver van het beeld van József Bem, de generaal van het Zevenburgse leger onder wiens bevel adjudant Petőfi tijdens de revolutie streed.

Laagland van Petôfi
Laagland, mooi ben je, voor mij tenminste!
Hier kwam ik ter wereld, hier stond mijn wieg,
en ik wil dat mij bedekt de lijkwade,
dat ik hier, alleen hier begraven lig.

Deze laatste strofe van Laagland bezingt de veelvuldig door Petőfi bezongen laagvlakte tussen Tisza en Donau.In zijn geboorteplaats Kiskőrös, dat na de Turkse verwoesting weer opgebouwd is, wonen vooral Slowaken en Hongaren. Sándor of Alexander Petőfi werd hier op 31 december 1822 of volgens andere bronnen 1 januari 1823 geboren. In een boerenhuis met strodak is naast de keuken achter de entree rechts een woonkamer en links de slaapkamer waar hij geboren is. De tijd heeft er stil gestaan, ook op het erf. De uitgespreide pagina's uit het kerkregister melden bij nummer 544 Petrovics Sándor, geloof Luthers, op het uittreksel van het kadaster van later datum staat hetzelfde. Het Slavische Petrovics verwijst naar Servië en zijn moeders naam, Maria Hruza, naar Slowakije. (Te Kiskunfélegyháza zegt men dat Petőfi daar ter wereld kwam en gedoopt zou zijn in Kiskőrös). Aan Szent István utca 23 is een van de oudste Slowaakse huizen een museum. Op Petőfi tér 5 kan men het uit 1790 stammende huis van de in zuivel handelende familie Petőfi bezoeken, maar het interieur is veranderd.

Even verder, vlak boven Solt stroomopwaarts langs de rivier ligt te Szalkszentmárton een voor bezoekers opengesteld classisistisch gebouw van rond 1800 waar de familie Petőfi een slachterij had en een herberg dreef. Je kunt er nog fijn op adem komen, mijmerend over Petőfi die als eerste Hongaren via poëzie in contact bracht met hun eigen landschap. De vele Petőfi-pleinen, straten, en beelden zijn er mede omdat hij zijn leven letterlijk en figuurlijk voor de vrijheid gaf. Of zijn wens uit Laagland vervuld is, is de vraag. Hij is het laatst gezien tijdens de slag van Segesvár of Roemeens Sighisoara op 31 juli 1849. De Hongaarse onderzoeker Ferenc Morai meldt echter dat hij zijn stoffelijke resten in Siberië, op de begraafplaats bij Bargoezin gevonden heeft. In dat geval zou krijgsgevangene Alexander Petrovic in 1856 aan de gevolgen van een bloedvergiftiging zijn overleden. De slechtbetaalde toneelspeler en voordrachtskunstenaar, succesvolle schrijver en moedige strijder die uitgroeide tot een held, zou ook de geliefde volksheld Toldi worden in een creatie van János Arany. Anno 2004, 155 jaar na zijn dood kent men zijn werk, daarom uit 1847:

'Hongarije ben ik!'
'Hongarije ben ik! En ernstig is mijn aard,
Zoals de diepe tonen van onze violen zijn.
Ofschoon een glimlach om mijn lippen speelt,
Breek ik niet zo gauw in vrolijk lachen uit.
Tegenover de hoogste lust,
die uit mijn ogen straalt,
staat vaak een stille traan;
Gelaten ook draag ik elk leed,
Betreurd wil ik nooit of te nimmer zijn!'



Bronnen:
"Petőfi numismatisch" in MM! nr. 26 en:
Baedeker Baedeker's Budapest. Stuttgart 1987. I-SBN 0861454111.
Bernard en Hanneke van den Berg Reishandboek Hongarije. Elmar, Rijswijk 1993. ISBN 90612099551.
Matthias Reinhard & Elke Eberhardt. Voordelig reizen Boedapest. István Gombás. Könige & Königinnen von Ungarn-Fürsten von Siebenburgen. Corvina 2000, Hungary ISBN 963134844-X.
Alfred Horn Insight Pocket Guides Boedapest. 1994 APA Productions. Nederland, Uitgeverij Cambium Zeewolde. ISBN 9066 554193.
Kinga Klaudy. Hongarije een reis door de tijd. Játékkártya 1994 Boedapest. ISBN 963133956.
Allert de Lange. Amsterdam 1990. ISBN 9053360093.
Wolfgang Libal. Stergids Boedapest met vier cultuurhistorische reizen door Hongarije. AGON-Amsterdam ISBN 905157172.
Roland Mischke. Lannoo's Reisgids Boedapest. Uitg. Lannoo Tiel.
Éva Molnár e.a Ungarn Tausend Jahre Zeitgeschehen im Überblick, Tatsachen Zahlen Bilder. 1999 ISBN 9063756036-X.
János Nemes Boedapest. Globus reisgids België. ISBN 9024360897.
Rhombus. Budapest snel wegwijs van A tot Z. Cantecleer stedengidsen de Bilt 1992. ISBN 9021309963.
Michael & Amir Shichor. The new guide Michael's. Inbal Travel Information Ltd. Ramat Israel. 1996. ISBN 1857331036.
Joost Schipper Neem nou Boedapest. A.W. BRUNA Uitgevers B.V. Utrecht 1992. ISBN 9022980006.