Recensie Gloed

Sándor Márai

Ik was bezig in het vierde deel van Marcel Proust's "A la recherche du temps perdu" in de Nederlandse vertaling van de Bezige Bij, toen het boek "Gloed", van Sándor Márai op mijn weg kwam. Tot mijn verrassing had ook dit boek "Op zoek naar de verloren tijd kunnen heten", zoals ik hieronder zal schetsen. De Nederlandse titel "Gloed" is overigens geen letterlijke vertaling van de Hongaarse titel: "Kaarsen branden altijd tot de stomp".

De hoofdpersoon Henrik, een oude generaal, leeft alleen met zijn stokoude huishoudster Nini, die vroeger ook zijn min is geweest, in een kasteel aan de voet van de Karpaten. Zijn vrouw Krisztina is al drie en dertig jaar geleden overleden. Die dag zal zijn vriend Konrád, die hij een en veertig jaar geleden voor het laatst heeft gezien, 's avonds op bezoek komen. Die heeft dat in een door een bode gebrachte brief laten weten. De generaal blikt in de loop van die dag terug naar het verleden. Ze waren tien jaar oud toen ze elkaar leerden kennen en werden boezemvrienden. De familie van Konrád kwam uit Galicië en was onbemiddeld. De vader van Henrik een Hongaarse gardist en zijn vrouw, een Franse gravin, leefden in rijkdom. Henrik's vader had ooit gezegd: "Konrád is anders", zonder zich nader te verklaren. Ondanks veel overeenkomsten tussen beide vrienden, had Henrik zelf het gevoel dat er een gebied was waarin hij Konrád niet kon volgen. Dat was de muziek: "alsof hij een geheime schuilplaats had, waar de hand van de wereld hem niet kon bereiken".

We zijn getuige van de minutieuze voorbereidingen voor het bezoek die de generaal treft: van het bespreken van het menu voor het diner en het kiezen van de wijn, tot het aantrekken van zijn paradetenue. In de gesprekken met Nini op die dag, vraagt ze hem: "wat wil je van deze man?", hij antwoordt: "de waarheid". Daarop zegt Nini: " je weet de waarheid heel goed", waarop de generaal even verder zegt:" de werkelijkheid is nog niet de waarheid". De lezer voelt het oplopen van de spanning, zodat het bijna een opluchting is als Konrád inderdaad arriveert en zachtjes zegt: "Je ziet, ik ben nog een keer gekomen".

Ze nemen plaats aan de twee uiteinden van een lange tafel in de grote eetzaal. De situatie wordt zo beeldend beschreven dat je jezelf inmiddels toeschouwer voelt bij de dingen die komen gaan. Op de tafel staat een rij porseleinen kandelaars met daarin blauwe kerkkaarsen. Een en veertig jaar geleden hebben ze hier voor het laatst gezeten, toen in het bijzijn van Krisztina. De dag daarop was Konrád met de noorderzon vertrokken. Ze drinken rode wijn uit 1886, het jaar waarin ze de militaire eed aflegden in Wenen. Konrád blijkt lange tijd in Singapore te hebben gewoond, maar woont nu in Londen. Beiden zijn inmiddels drie en zeventig jaar oud.

Henrik vertelt Konrád dat zijn vrouw, acht jaar nadat hij is weggegaan, is overleden. Het is vooral Henrik die aan het woord is. Hij reconstrueert de bekoeling van hun vriendschap, zelfs de dag waarop hij moest vaststellen dat hun vriendschap bedorven was. Konrád moet vooral luisteren, beaamt hier en daar de reconstructie, soms met een enkel woord, soms door te zwijgen. Dan zegt Henrik: "Wat ik nog zou moeten weten, is waarom dit allemaal gebeurd is. Waar is de grens tussen twee mensen? Waar is de grens van verraad?" Gevolgd door: "Het noodlot komt door de deur naar binnen, die we zelf geopend hebben, terwijl we het noodlot beleefd voor hebben laten gaan." Ze praten de hele avond en nacht door. Henrik, die aanvankelijk slechts antwoord wilde hebben op twee vragen, herformuleert zijn vragen in het gesprek. Op de eerste vraag krijgt hij van Konrád evenwel geen antwoord. Inmiddels is het vuur in de schouw al lang uitgegaan, het is koud en beiden zijn verkleumd. Ze kijken nog een keer de kamer rond en voelen dat ze die nooit meer zullen betreden. Wijzend op de kaarsen zegt Henrik: "Kijk, de kaarsen zijn tot op het stompje opgebrand". Bij het afscheid nemen zegt Konrád onverwacht: "Je zei: twee vragen. Wat is de andere?" Henrik zegt: ".... denk je niet dat we over het graf heen verantwoording schuldig zijn aan haar....." en even verder: "Wie iemand overleeft, is altijd een verrader". Dan formuleert hij zijn tweede vraag: "Denk jij ook dat het leven geen andere zin heeft dan de passie, die op een dag ons hart, onze ziel en ons lichaam doordringt, en dan eeuwig blijft branden tot de dood?.... En geldt zij misschien niet eens voor een persoon, maar voor het verlangen zelf?". Konrád zegt daarop: "Waarom vraag je het mij, je weet dat het zo is". Dan nemen ze zonder verdere woorden afscheid. "Heb je nu meer rust?" vraagt Nini even later. "Ja" zegt de generaal. En ook de toeschouwer-lezer neemt afscheid, diep onder de indruk van de indringend beschreven conversatie. Ik vind dit boek, waarvan ik de plot niet heb willen verklappen, een onvoorwaardelijke aanrader!

Nico J. Leschot

Sándor Márai: Gloed, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2000. (A gyertyák csonkig égnek, voor het eerst verschenen in 1942, uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy).