Sándor Márai: Zendülők

Sándor Márai: Zendülők, De opstandigen, uit het Hongaars vertaald door Henry Kammer, tweede druk, 2003. Wereldbibliotheek, Amsterdam.

Dit eerste boek van Márai verscheen in het Hongaars in 1930, de Nederlandse vertaling volgde 73 jaar later! Centraal staat een viertal scholieren in hun eindexamenjaar van de middelbare school in een stadje ergens in Hongarije. Het sombere decor is de Eerste Wereldoorlog. Wil een normaal mens op die leeftijd toch al nergens bij horen en zich graag opstandig gedragen, tegen de achtergrond van een uitzichtloze oorlog wordt die neiging alleen maar groter. De lezer voelt al vroeg in het boek dat “de bende”, zoals ze zich zelf noemen, uiteindelijk zal moeten capituleren. Met dit gedrag van de jongens kan het gewoon niet goed aflopen! Het deed me denken aan de Provo-beweging in de jaren zestig in Amsterdam: “Provo ziet in dat het de uiteindelijke verliezer zal zijn, maar de kans deze maatschappij nog eenmaal hartgrondig te provoceren wil het zich niet laten ontgaan”.
De vier scholieren zijn: Ábel, zoon van een legerarts, wiens moeder is overleden en die daarom wordt opgevoed door zijn tante, Ern_, zoon van een arme schoenmaker, Béla, zoon van een rijke kruidenier en Tibor, de zoon van een kolonel. De oudste zoon van de kolonel, Lajos, is gewond uit de oorlog terug gekomen en wordt “de eenarmige” genoemd. Hij hoort maar half en half bij de bende. De kolonel zelf is nog aan het front. In het eerste hoofdstuk wordt in feite de toon gezet voor de relatie tussen deze vier jongens, als Ábel bij toeval ontdekt dat iemand van hen vals heeft gespeeld met kaarten: hij vindt in één set kaarten twee hartenazen! De vier jongens kanaliseren hun ongenoegen door te gaan stelen, eerst en vooral van hun eigen ouders. Zo brengt Tibor, als zijn moeder ter observatie in het ziekenhuis wordt opgenomen, het tafelzilver naar de pandjesbaas en ontvangt daarvoor 600 kronen. Om de vele gestolen spullen op te kunnen bergen, huren ze een opslagplaats bij een oud hotel; dat is tevens de plek waar ze elkaar ongestoord treffen. Daar vertellen ze elkaar ook over hun angsten uit hun vroege jeugd op zogenoemde “angstmiddagen”. De contactpersoon met de wereld der volwassenen is een acteur, aan wie ze bijvoorbeeld opbiechten dat ze, ondanks hun stoere verhalen, geen van allen nog met een meisje naar bed zijn geweest. Die acteur, Amadé, organiseert in de plaatselijke schouwburg, zonder publiek, een geïmproviseerde voorstelling met de vier, die zo kennismaken met zijn toneelwereld. Aan Tibor wordt daarbij een vrouwenrol toebedacht en de acteur, die de Griekse beginselen is toegedaan, danst op het toneel met Tibor. Aan het eind van de voorstelling blijkt echter dat er toch een toeschouwer in de zaal heeft gezeten … Als Ábel en Tibor vervolgens een bezoek brengen aan de pandjesbaas, teneinde het tafelzilver terug te krijgen voor de kolonel weer naar huis komt, blijkt dat de valsspeler bij het kaartspel nu als verrader heeft toegeslagen. Tijdens het laatste schoolfeest volgt de dramatische afloop van deze episode.
De generatiekloof, als onvermijdelijk gegeven in het bestaan van de mens die nu eenmaal lang nodig heeft om onder leiding volwassen te worden, is mooi en zeer herkenbaar beschreven. De jongens beseffen ook het tijdelijke karakter van de fase waarin ze verkeren: “Misschien zouden ze over een tijdje zelf wel als vijanden worden beschouwd door een kind. Het was een verdrietige maar zich onvermijdelijk opdringende gedachte”. Prachtig vind ik zoals Márai de twijfel die hij al zaait in het eerste hoofdstuk, pas “oogst” in het laatste hoofdstuk: klasse! De lezer is zo op indringende wijze getuige van het feit dat het geloof in echte vriendschap bij de jongens vervliegt, evenals hun geloof in de toekomst. Een boek dat veel Nederlandse lezers verdient.

Nico J. Leschot