Sándor Márai: De gravin van Parma


Uit het Hongaars vertaald door Margreeth Schopenhauer. Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2004.
In dit boek, oorspronkelijk verschenen in 1940, staat Giacomo Casanova de legendarische avonturier en rokkenjager uit de 18e eeuw centraal. Ik moest direct denken aan het boek “Neurosenleer” van Prof.dr. P.C.Kuiper (1966) dat aan het van de eind zestiger jaren heel populair was bij medische studenten aan de Universiteit van Amsterdam, waartoe ik ook behoorde. Je zou het tegenwoordig een “hype” hebben genoemd. Kuiper, een overtuigd Freudiaan, sprak in plaats van “rokkenjager” over het “Don Giovanni type”: een man met deze neurotische stoornis kan “wel verlangen en verliefd zijn, maar niet liefhebben in een blijvende relatie”. Mede omdat ik zelf niet dol ben op het genre historische romans, dacht ik aanvankelijk: dat verhaal kennen we nu toch wel. Maar, Márai gebruikt gelukkig een voorwoord om uit te leggen dat het hem bij de beschrijving van zijn held Casanova niet te doen was om historische feiten rond deze figuur, maar om diens karakter. Uit zijn “Memoires” heeft Márai alleen het tijdstip van zijn vlucht en de omstandigheden waaronder dit gebeurde overgenomen. De rest berust op fantasie. De flaptekst belooft als hoofdbestanddelen van het boek:”passie, trouw en verraad” bij drie mensen die een geheim delen en met het verleden willen afrekenen.
De held Giacomo is net ontsnapt uit de gevangenis van Venetië, waar hij 16 maanden heeft doorgebracht. Hij arriveert na een moeilijke tocht, samen met zijn reisgezel Balbi, een monnik, in het Noorditaliaanse Bolzano. In de plaatselijke herberg “Het Hert” schrijft hij zich in als “een heer uit Venetië”. De geruchten vertellen de rest en het volk is opgetogen over het door hem geleverde huzarenstukje. Hij is overigens meteen weg van het 16 jaar oude kamermeisje Teresa. Via de barbier hoort hij dat de graaf van Parma, die in de stad woont, hem wenst te ontmoeten. Diens vrouw Francesca was 5 jaar daarvoor de aanleiding voor een duel met de graaf, waarbij de held zwaar gewond raakte. Als hem in de stad een koets passeert ziet hij in een flits het bleke gezicht van Francesca achter het raampje......
Het is Francesca die hem in Bolzano houdt: “De klank van Francesca’s naam riep een verontrustende weemoed in hem op”. Ondertussen speelt hij kaart en geeft, tegen betaling, adviezen over de liefde aan mensen die daarom vragen. Dan is opeens het moment daar en komt de bejaarde graaf, met vier lakeien naar de herberg om de held te spreken. Het wordt een gesprek waar de vonken vanaf vliegen. Uiteindelijk blijkt dat de graaf als koerier is gekomen met een onderschepte brief van Francesca voor Giacomo. Zij sluiten een “herenakkoord”, waarvan ik de inhoud niet zal verklappen en de graaf vertrekt.
Terwijl Giacomo zich als vrouw verkleedt voor een gemaskerd bal bij de graaf, treuzelt hij zo lang dat Francesca, als man verkleed, naar hem toekomt in “Het Hert”. Je ziet Freud op de achtergrond glimlachen bij deze maskerade. Francesca heeft in het daarop volgende gesprek de leiding. Zij zegt: “Jij ontvlucht de ander het liefst, omdat je denkt dat je bestemming steeds ergens anders ligt, en ik zoek juist de eenwording omdat ik denk dat daarin mijn bestemming ligt”. En even verder: “je was bang, bang om je te binden, bang om je werkelijk met het leven te verbinden, om één te worden met het leven, bang om je uiteindelijke bestemming te vinden”. Woorden die zo afkomstig zouden kunnen zijn uit het eerder genoemde boek Neurosenleer! Als de nacht ten einde loopt concludeert ze: “Even heb ik in een flits gezien hoe doorzichtig je vermomming is (….) het is me niet gelukt je hart te veroveren”. Als ze vertrekt blijft Giacomo letterlijk, maar vooral psychologisch gezien, ontmaskerd achter. In een brief aan de graaf doet hij tenslotte verslag van hun samenzijn. Een schitterend verteld verhaal, waarin passie, trouw en verraad inderdaad, alarmerend luid, aanwezig zijn! Aangekomen in het tweede deel van het boek, kon ik het niet meer wegleggen!

Nico J. Leschot
november 2004