Taalpraatje 6 - Mijn Hongaarse Klassieken

Mijn eerste ontmoeting met Hongarije dateert uit de tijd van het postzegels verzamelen. De zegels uit Hongarije waren immer voorzien van de woorden Magyar Posta die mij bijna magisch in de oren klonken. Jaren later kwam ik dan in een Engelse jeugdherberg plotseling Karcsi tegen, een vriend voor het leven. In zijn Oosteuropese gastvrijheid nodigde hij mij vanzelfsprekend uit voor een bezoekje aan zijn vaderland. Vol spanning keek ik een heel schooljaar uit naar de reis van mijn leven en om me enigszins voor te bereiden zocht ik in de bibliotheek naar literatuur over Hongarije. Ik koos niet voor reisgidsjes van Kosmos of ANWB, maar voor de dikke pil Hongarije van de auteur Bollen. Ik liet me meeslepen door de indrukken die Bollen had opgedaan in het Hongarije van de jaren zestig. Helaas is dit boek nergens meer te krijgen; het is verdwenen uit bibliotheken en bestanden (ook in Molnár’s bibliografie ontbreekt het), maar er zijn me al die jaren beelden bijgebleven. Bollen werd bijvoorbeeld getroffen door de schoonheid van de Hongaarse vrouw en - niettegenstaande de oosterse oorsprong van het magyaarse volk - de hoge frequentie van blond haar. Verder viel hem op dat Hongaren een leesgierig volk vorm(d)en. Waar anders - schreef hij - kun je iemand in de metro poëzie zien lezen?

Als kind las ik alles - jongensboeken, meisjesboeken, gewoonweg de hele bibliotheek. Als tiener genoot ik van de avonturen van de Scheepsjongens van Bontekoe, van Krijn Touw en Abel Tasman. Ook De Schaapherder van Oltmans kon mij destijds zeer bekoren. Het is dan ook geen wonder dat ik me later ten volste liet meeslepen door De man van goud (Az aranyember) van JÓKAI Mór, een mengeling van avontuur, magisch realisme en negentiende eeuws naturalisme. Nooit vergeet ik die prachtige beschrijving van het nachtelijk bevriezen van het Balatonmeer. Sinds De man van goud hunker ik - in het voetspoor van koopman Timár - naar Niemandseiland - senki szigete - en naar De IJzeren Poort, de smalle doorgang tussen twee bergketens in het grensgebied van Roemenië en Servië (in de tijd waarin het boek zich afspeelt was dit de grens tussen Hongarije en Turkije), waar de Donau zich woest kolkend doorheen perst.

Gevoel voor de Hongaarse historie en sociale achtergronden haalde ik uit De gelukkige mens (A boldog ember) van ZSIGMOND Móricz, een prachtroman waarin de gewone mens centraal staat en waarin de snelle ontwikkeling van Budapest wordt beschreven vanuit het perspectief van de landarbeider die zich transformeert tot stadsproletariër, en uit Het volk van Mijn poesta (Puszták népe) van ILLYÉS Gyula, een boek bekend als ‘sociografische’ geschiedschrijving van het feodalistische Hongarije van voor de Tweede Wereldoorlog. Het intrigerende hoofdstuk over het Hongaarse vloeken gebruikte ik jaren later nog als lesstof in het kader van Kennis van land en volk...

Als afwisseling met het zwemmen, de watermeloenen en de vurige kussen op het strand las haar grote vakantieliefde Egri Csillagok in het Hongaars. Hij had dit boekje een jaar tevoren voor ongeveer twee kwartjes (tienfrankskes) in een ABC-levensmiddelenzaak uit een stelling bij de kassa geplukt; over het eerste hoofdstuk had hij ruim twintig uur gedaan. Hij had er aanvankelijk niet heel veel van begrepen, maar wel net genoeg om door te zetten.

En zo leerde ik - al lezend - een vreemde taal. Pas als een nieuw woord vaak genoeg voorkwam, zocht ik het op. Een jaar na het eerste hoofdstuk - tijdens een vakantie aan de Adriatische zee - had ik Egri Csillagok bij me en nam ik de draad weer op. Op het strand had ik vanzelfsprekend niet mijn dikke Magyar-angol Kéziszótár naast me liggen, maar als ik weer terug was bij de tent, zocht ik de onbekende woorden op. Vaak begreep ik op deze manier pas later wat ik precies had gelezen en dan vielen de stukken op hun plaats. Zo las ik mijn eerste boek in het Hongaars.

De sterren van Eger - verplicht leesvoer voor elke Hongaarse scholier - beschrijft de lotgevallen van de jongen Gergely Bornemissza tijdens de belegering van de burcht van Eger door de Turken in de zestiende eeuw. Spanning, avontuur en romantiek