Taalpraatje 8 - Alelölülô

Spelling en klanken van het Hongaars


Wie wel eens een blik heeft geworpen in een Hongaarse krant, ziet onmiddellijk een ondoordringbaar woud van streepjes en puntjes. Met ons schoolduits zijn we wel wat gewend, zo sluiten we onze ogen niet voor een paar umlauts meer of minder, maar een kritische blik op Hongaarse woorden leert ons dat je behalve een umlautteken van puntjes (ons trema) ook een dergelijk teken hebt dat bestaat uit een dubbele streep (de double acute of dubbele aigue). Naast de ö heb je dan de ô en naast de ü staat de ô. En dan blijken ook nog de a, e, i, o en u van een streepje te kunnen worden voorzien. Nu ziet de leek echt door de bomen het bos niet meer.
Toch is het Hongaarse klinkersysteem vrij eenvoudig te begrijpen, al moeten we daarvoor wel een beetje buiten onze eigen taal treden om te kunnen begrijpen dat elke taal weer andere fonemen heeft en in de spelling verschillen tot uitdrukking kan brengen die wij in het Nederlands niet maken. In het Hongaars hebben álle klinkers zowel een korte als een lange variant. De lange klinkers worden langer (tweemaal zo lang) aangehouden als de korte. In het Nederlands maken wij in de spélling meestal geen onderscheid tussen echt lange en korte klinkers. Het verschil tussen a en aa (vak en vaak) is niet zozeer een lengteverschil als wel een klankverschil, een a klinkt anders dan een aa, maar onze klank aa duurt meestal niet langer dan een a. Toch hebben ook wij wel lange klinkers: de oe in boer duurt bijvoorbeeld veel langer dan de oe in boete. Dat komt omdat de meeste klinkers als ze voor een r staan ‘vanzelf’ langer worden uitgesproken.

Lange klinkers krijgen streepjes
In het Hongaars kunnen alle klinkers zowel lang als kort zijn: de lengte wordt in de spelling aangegeven door streepjes: een lange a wordt geschreven als á, een lange i als í, en een lange o als ó. Bij de klinkers ö en ü lijkt het wat ingewikkeld, maar met onze kennis van het Duits komen we er gemakkelijk uit. Toen het Hongaars in de middeleeuwen (vanaf het jaar 1000) deel ging uitmaken van de Europese cultuur en er voor het eerst met Latijnse letters werd geschreven, stond het Hongaars in nauw contact met Duitstaligen en hebben de spellers voor een aantal letters leentjebuur gespeeld bij het Duits. Zo heb je behalve de u (klinkt als onze oe, vergelijk Budapest/Boedapest) ook de ü, die precies zo klinkt als de Duitse ü in fünf, mét umlaut dus: bijvoorbeeld menü. Hetzelfde geldt voor de o en de ö: bor ‘wijn’ en sör ‘bier’.
Maar nu komt het: ook deze ö en ü kennen een lange variant. Om die te kunnen schrijven gaat de Hongaarse trucendoos open en veranderen de puntjes in streepjes: de lange ö wordt geschreven als ô, de lange ü als û: naast het korte öt ‘vijf’ heb je ook ôt ‘hem, haar’, in West-Hongarije ligt het plaatsje Körmend en niet al te ver daarvandaan ligt de stad Gyôr.

Gyôr
De meeste toeristen die langs deze stad aan de snelweg van Wenen naar Budapest reizen spreken de naam Gyôr zodanig verkeerd uit, dat geen Hongaar begrijpt over welke stad ze het hebben als ze de weg vragen naar „Gie-joor”... Tja, behalve vreemde klinkers heeft het Hongaars immers ook bizarre medeklinkers. De opvallendste is wel deze gy die ook voorkomt in de naam waarmee Hongaren zichzelf aanduiden: magyar. Het schriftbeeld van deze gy is misschien wel wat ongewoon, je bent natuurlijk geneigd je mond naar onze g-klank toe te bewegen als je de letters gy ziet staan (en vervolgens wil je er - onterecht - ook nog eens een i-klank achteraan te gooien... ). Toch is de uitspraak niet zo heel moeilijk: de gy klinkt als dj, eigenlijk precies zo als in het woord adieu. Maar let op: maak er geen dzj-klank van, want dan ben je heel herkenbaar als buitenlander. In Hongaarse kluchten spreken acteurs die de rol van buitenlander moeten spelen ook altijd met een verkeerde uitspraak van de gy! Nee, bewaar de dzj-klank maar voor de Hongaarse lettercombinatie dzs (!). Deze komt voornamelijk voor in leenwoorden uit veelal het Engels: dzseki ‘jas, jack’.
De y, die in Hongaarse woorden meestal geen aparte klinker is, zorgt niet alleen in gy voor een j-klank achter de voorgaande letter, maar ook in ny en ty (als in ons oranje en beetje).

Sisklanken
Andere lastige medeklinkers zijn de sisklanken. Het Hongaars wilde zich in het verleden duidelijk onderscheiden als niet-Slavische taal. Om de ‘slappe’ s (onze sj in sjaal en chocola) en de tsj (zoals in Tsjech) te schrijven koos men destijds dan ook niet voor in de Slavische talen gebruikelijke letters met tekentjes erboven zoals _ en _, maar loste het gebrek aan Latijnse letters anders op: ook voor zijn twee s-sen speelde het Hongaars weer leentjebuur bij het Duits: het Hongaars schrijft de ‘slappe’ s (sj) met een enkele s, de (heel scherp uitgesproken) scherpe s als sz. Hé, noemden wij op de middelbare school de Duitse letter ß ook niet een sz? Ja, inderdaad, maar waarom ook al weer? Welnu, dat teken ß is een overblijfsel uit de tijd dat het Duits met gotische letters werd geschreven. De ß is eigenlijk een combinatieletter van een s (die meer op een rechtopstaand streepje leek) en een z, die in veel handschriften met een extra lusje of haaltje onderaan wordt geschreven (z). Met het Duitse woord Straße hebben we dan een mooi ezelsbruggetje om de twee s-klanken van het Hongaars uit elkaar te houden.
Nu we weten dat de Hongaarse letter s voor de ‘slappe’ sj staat, kunnen we ook de andere vreemde sisklankschrijfwijzen begrijpen: de cs en de zs. In beide letters staat de s voor de aan de eerste letter toegevoegde j-klank: een losse c klinkt als een scherpe ts (als in tsaar), met de s erbij klinkt deze cs dan als onze tsj (als in Tsjech). De zs klinkt door de toegevoegde s niet als z maar als zj (zoals in journaal).

Lange medeklinkers
Het Hongaars maakt bij de medeklinkers dus geen gebruik van extra tekentjes, maar lost alles op door combinaties van medeklinkers. Deze ‘medeklinkeroplossing’ ligt ook ten grondslag aan het verschijnsel van de dubbele medeklinker: naast vasal ‘strijken’ bestaat ook het woord vassal ‘ijzer’. Voor Nederlanders lijkt dit gesneden koek, immers wij onderscheiden ook balen en ballen. Maar bij ons geeft - bizar genoeg – de verdubbeling van de medeklinker aan dat de voorafgaande klinker ‘kort’ is, terwijl in het Hongaars de medeklinkerverdubbeling het logische doel dient een lánge medeklinker aan te geven. ‘Lange medeklinkers?’, hoor ik u denken, ‘bestaan die ook dan?’ Ja, net zoals je in het Hongaars lange klinkers hebt, heb je ook lange médeklinkers. En deze lange medeklinkers duren ook echt tweemaal zo lang als korte medeklinkers. Dat gaat prima bij vassal: je moet de sisklank even aanhouden en de Hongaar begrijpt dat je geen vasal zegt maar vassal. Een lange b is een ander verhaal: om een b lang uit te spreken wordt tijdens de vorming van de klank als het ware even gepauzeerd.
Maar hoe schrijven we dan een lange medeklinker die al uit twee verschillende lettertekens bestaat? Hoe schrijf je dus een lange sz, cs of zs? Szsz, cscs en zszs vond men destijds te veel van het goede, dat kostte waarschijnlijk te veel tijd en (geld in de tijd dat typistes per aanslag werden betaald). Nee, men heeft hiervoor een aparte code afgesproken: een lange sz wordt geschreven als ssz (met alleen het eerste teken verdubbeld en het tweede teken dat alleen de j-klank aangeeft, niet), en evenzo bestaan ccs, zzs, nny, ggy etc.

Staccato
Door de duidelijk hoorbare afwisseling van korte en lange klinkers en medeklinkers kent het Hongaars een heel eigen ritme. Ik noem het het staccato-effect. Toch kent het Hongaars juist ook een klankrijkdom die zich uit in de grote hoeveelheid klinkers die in woorden kunnen worden gebruikt: szórakozás ‘amusement’ bijvoorbeeld is niet eens zo’n lang woord, maar heeft wel vier klinkers die alle vier net weer anders klinken.
Overigens is het bijzondere van het Hongaars dat deze vier klinkers tot één groep behoren, de groep van de ‘achterklinkers’ ofwel klinkers die achter in de mond worden gevormd. U raadt het al, er is natuurlijk ook een groep van ‘voorklinkers’, klinkers waarbij je tong meer vóór in de mond aan het werk wordt gezet. A, o en u zijn achterklinkers, e, ö en ü zijn voorklinkers. Het eigenaardige van het Hongaars is dat woorden in de regel ofwel klinkers uit de ene groep bevatten ofwel uit de andere. Achtervoegsels en uitgangen kennen op hun beurt verschillende varianten die zich qua klank aanpassen aan het woord waaraan ze gekoppeld worden (dit verschijnsel heet klankaanpassing of klinkerharmonie): kulcsokkal ‘met sleutels’ en ablakoknál ‘bij ramen’ tegenover üvegekkel ‘met flessen’ en b_röndöknél ‘bij koffers’.
Door het staccatoritme met de afwisseling van lang en kort en de vaste klemtoon op de eerste lettergreep, door de klankrijkdom en tegelijkertijd de tweedeling in voor- en achterklinkerwoorden, waardoor vaak terloopse rijmen ontstaan en mede door de dalende zinsintonatie verkrijgt het Hongaars een bijna magische welluidendheid. Twee zinnetjes ter afsluiting:

Szép cselekvés a szeretkezés! (Beminnen is een plezierige bezigheid)
Az olvasgatás jó szórakozás! (Lezen is een goed tijdverdrijf)

[kader]
De ly is een verhaal apart. Oorspronkelijk is deze letter gecreërd om de Slavische klank lj (als in Ljubljana of kralj ‘koning’) te kunnen schrijven. In de meeste gevallen is de klank van deze letter in het Hongaars identiek aan die van de j. Hongaren hebben altijd moeite gehad met het uitspreken van verschillende medeklinkers achter elkaar. In leenwoorden zie je dan vaak een extra verbindingsklinker: het Oudfranse scrin werd in het Hongaars szekrény ‘kast’, het Latijnse schola werd iskola ‘school’. In het geval van de Slavische lj hebben de meeste Hongaren het eerste gedeelte van de klank maar gedumpt en behielden ze alleen de j-klank: király ‘koning’ (uit het Slavische kralj), wordt in Hongarije uitgesproken als [kieraaj] en olyan als [ojjan]. Bizar genoeg echter spreekt men in de uiterst westelijke dialecten juist van [kieraal] en [ollan]. Waarschijnlijk is dat de reden dat de letter ly nog niet is afgeschaft!