Taalpraatje 10 - De puntjes op de ë



Deel 1

Inleiding

Wie Hongaars gaat leren, merkt al gauw dat de Nederlandse taalkundige begrippen niet toereikend zijn voor de beschrijving van de Hongaarse grammatica. Ook wie het gymnasium heeft doorlopen en bij de klassieke talen flink heeft mogen stoeien met begrippen als conjunctivus, ablativus absolutus of finale bijzin zal zien dat bij de studie van het Hongaars de lijst met terminologie behoorlijk moet worden uitgebreid. Denk alleen al aan termen als bezitsteken en bepaalde vervoeging, persoonsuitgang en plaatsbepalingsachtervoegsel, en je ziet dat deze min of meer gewone woorden tot een totaal nieuw begrippenapparaat behoren: Hongaars leren doe je vanuit een eigen referentiekader.

Als een van de eerste nieuwe begrippen lanceer ik altijd de termen voor- en achterklinker. Dit lijken op het eerste gezicht hele gewone Nederlandse woorden. Ik zie mijn cursisten dan ook altijd denken: “Wat was dat ook al weer? Eh, klinker, ja, dat weet ik nog wel, medeklinker ook, maar wat was nou ook al weer een achterklinker…? Mijn antwoord is altijd weer geruststellend: “Nee hoor, dit zijn níeuwe termen, deze termen kun je nog niet kennen, die heb je niet nodig voor het Nederlands, Engels, Frans of Duits.” (Tenzij je op de universiteit zit.)
Voor het Hongaars en met name bij het verklaren waarom er bijvoorbeeld de ene keer -ban achter een woord komt en de andere keer -ben is het echter reuze handig om deze begrippen te gebruiken. Even een herhalingslesje:
“Het Hongaars is een taal waarin het verschil tussen voor- en achterklinkers een belangrijke rol ">speelt bij verbuigingen en vervoegingen. Voorklinkers zijn klinkers die vóór in de mond worden uitgesproken, zoals de e, ö en ü. Achterklinkers worden achter in de mond gevormd, voorbeelden zijn a, o en u (= onze oe-klank).
Van vele verbuigingsuitgangen en werkwoordsvervoegingen komen twee varianten voor, een variant met een achterklinker, die wordt gebruikt bij woorden met achterklinkers en als tegenhanger een variant met een voorklinker voor voorklinkerwoorden.” (Hierbij moet je natuurlijk nog wel beseffen dat Hongaarse woorden meestal óf klinkers uit de ene groep, óf klinkers uit de andere groep bevatten.)

Het achtervoegsel -ban, of -ben betekent "in" en kan worden gebruikt bij plaatsnamen: "in Leiden" wordt vertaald als "Leidenben", "in Den Haag" als "Hágában". Hongaarse voorbeelden zijn o.a. Egerben tegenover Komáromban.
Het blijkt nu dat niet alleen onze voorzetsels in het Hongaars als achtervoegsels verschijnen, maar ook onze bezittelijke voornaamwoorden (a városommijn stad, a kertemmijn tuin). Ook alle werkwoordsvervoegingen en allerlei andere achtervoegsels kennen telkens meerdere varianten met wisselende klinkers die zich aanpassen aan de klank van het voorafgaande basiswoord.

Al gauw vraagt men dan hoe je dat allemaal kunt onthouden. Eén manier kan zijn om uit je hoofd te leren dat de e, ö en ü (en de la">nge varianten é, ô en û) voorklinkers zijn en de a, o en u (inclusief á, ó, ú) achterklinkers. Wie graag een ezelsbruggetje heeft associeert a, o, u met autó en e, ö, ü met repülô (het woord voor vliegtuig) en klaar is kész!
Ook laat ik de cursisten altijd zelf het verschil voelen tussen voor- en achterklinker. Doe maar even mee: als je bijvoorbeeld bij het uitspreken van de klank ü vloeiend van de ü naar de u (= oe-klank) en vice versa probeert te gaan en je lippen zoveel mogelijk probeert stil te houden, voel je zelf in je mond hoe het puntje van je tong heen en weer schiet. Doe het maar eens, je tong gaat van voren naar achteren en weer terug. Zo kun je dat voor elk ‘paar’ klinkers doen: van ö naar o en van é naar ó (tip: je moet de klinkers wel zuiver uitspreken!).

Door de introductie van de termen voorklinker en achterklinker is het gemakkelijker om te begrijpen en onder woorden te brengen dat (bijna) elke uitgang en elk achtervoegsel zich wat klinkers betreft, dus qua klank, aanpast aan het basiswoord of de stam. Dit voor het Hongaars kenmerkende verschijnsel wordt vocaalharmonie (of ook wel klinkerharmonie of klankaanpassing) genoemd.

In het begin van de cursus leren de studenten al spoedig de verschillende tussenklinkers bij het meervoud (o.a. asztal – asztalok, szék – székek) en in hoofdstuk 2 is het dan tijd voor de werkwoordsvervoeging.

Bij de vervoeging van het werkwoord beginnen we met onderstaande drie rijtjes werkwoorden. Het eerste rijtje is voor achterklinkerwoorden, het tweede rijtje is voor voorklinkerwoorden. Tot zover klopt het helemaal: links bevatten de uitgangen achterklinkers, in het midden voorklinkers. Maar om de zaak te compliceren blijkt er evenwel nog een derde rijtje te zijn. Wat is er aan de hand?

Het derde rijtje kan worden beschouwd als een subcategorie van de voorklinkergroep. Het kenmerk van de werkwoorden uit deze categorie is dat ze ronde voorklinkers bevatten, dat wil zeggen voorklinkers die met ronde lippen worden uitgesproken, nl. de ö en de ü). De uitgangen in deze voorklinkersubcategorie bevatten natuurlijk voorklinkers, maar in sommige gevallen andere dan die in het middelste rijtje. Maar ook hier geldt het principe van klankaanpassing: de lipronding wordt meestal meegenomen naar de uitgang. Kijk maar eens goed naar het schema:

Er is één uitgang die opvalt. Ik heb deze vet gedrukt. Wie Hongaars leert, vraagt zich vroeger of later altijd af waarom deze vorm ülnek (de derde persoon meervoud van de subcategoriegroep) niet ook *ülnök wordt, terwijl de uitgangen -ek en -tek zich wel aanpassen aan de ronde ö/ü-klank en -ök resp. -tök worden. Een antwoord op deze vraag wordt in cursusboeken zelden gegeven, studenten en cursisten moeten maar genoegen nemen met deze afwijking en accepteren dat het nu eenmaal zo is in het Hongaars. Domweg uit je hoofd leren deze"> vorm dan maar? Of is er meer aan de hand?

Als je antwoord wilt hebben op de vraag waarom deze vorm afwijkend is dan kun je in hetzelfde schema ook de aanwijzing vinden voor de oplossing van dit probleem. Kijk er eens goed naar en denk er eens over na. Lees daarna pas verder in deel 2...