Anna Boom in Hongarije

Over het boek van Judith Koelemeijer

Op 2 augustus 1939 stapt de Nederlandse Anna met haar moeder van de boot, die haar van Wenen naar Budapest heeft gebracht. Anna is 19 jaar oud en heeft sinds de dood van  haar vader Willem Boom in november 1920 met haar moeder door Europa gezworven, levend in pensions en hotels, en heeft Duitstalige scholen en internaten bezocht, Nederlands heeft zij van haar moeder en een in Merano levende juffrouw. Hier in Hongarije begint een van de meest dramatische periodes uit haar leven.

Zij legt gemakkelijk contacten en komt bij mevrouw Perint, een modeontwerpster in de Andrássy út, dan weet zij meteen dat zij dat ook wil worden. Als zij van haar hoort dat er tegenover in de Opera een kostuumontwerper werkt die in Nederland is geweest, stapt zij daar direct op af. Tivadar Márk en zijn zus Edit zijn na de Eerste Wereldoorlog met de “kindertrein” in een Nederlands gezin terecht gekomen. Zij toont grote belangstelling voor zijn werk en hij wil haar ook les geven, zo leert zij het vak.

Al na korte tijd leert zij Géza kennen, die graag beter Duits wil leren spreken en via een Hongaarse kennis van Anna met haar in contact is gekomen. Hij is secretaris van de burgemeester van Budapest, getrouwd en heeft veel relaties. Zij hebben jarenlang een verhouding, met spanningen en ruzies, maar hij is altijd behulpzaam, ook als de voedselsituatie in de stad in de laatste oorlogsjaren nijpend is. Na de Duitse bezetting van Hongarije in maart 1944, komt er een crisis in hun relatie. Als zij zwanger raakt en abortus laat plegen ziet zij haar leven niet meer zitten en poogt door een handvol slaappillen te ontsnappen. Maar zij overleeft, doch aan de relatie maakt zij een einde

In die tijd beginnen in Hongarije de deportaties van de joden, juist in die kring heeft zij vele vrienden en bekenden. Via haar vriendin Dóra, die een Britse bekende heeft, welke als staflid bij het Zweedse Rode Kruis in Budapest werkt, in samenwerking met het Zweedse gezantschap, komt zij in contact met de organisatie van Raoul Wallenberg. Deze diplomaat was naar Hongarije gestuurd om zo veel mogelijk joden te redden door het verstrekken van zogenaamde Schutzpässe, die de bezitter de status van Zweeds onderdaan geven. “Wallenberg barst van de dollars”, weet Dóra te vertellen. Hiermee koopt hij voedsel voor de joden die in de “Zweedse huizen”, panden die hij heeft opgekocht en nu exterritoriaal gebied zijn, worden ondergebracht. Daar Anna geen baan meer heeft meldt zij zich als vrijwilliger aan in het Zweedse gezantschap in de Minerva utca. Zij heeft een kort gesprek met Wallenberg, die vraagt of zij joods is, welke talen zij spreekt en welke nationaliteit zij heeft. Hij zegt dat hij nog wel een koerierster kan gebruiken in de buitendienst. Daar de Duitsers het gebouw voortdurend in de gaten houden is het beter dat zij daar niet meer komt, en met een handdruk nemen zij afscheid van elkaar. Veel indruk heeft hij toen niet op haar gemaakt, pas jaren later als zij in de pers de artikelen over hem leest beseft zij wie deze man was. Op 4 september krijgt zij van de directeur van het Zweedse Rode Kruis een van veel stempels voorzien verklaring, dat zij medewerkster is van deze organisatie. Dat papier zal zij haar leven lang bewaren in een doos weggestopt, net als haar herinneringen aan die tijd in Hongarije.

            Zij bezorgt passen en pakjes, bezoekt mensen in de Zweedse huizen in het getto. De toestand verslechtert als in oktober 1944 de Szálasi-regering aan de macht komt en de Pijlkruisers het straatbeeld beheersen. Zij respecteren de Zweedse beschermingspassen niet, voeren joden af, lunderen en roven en vermoorden hun arrestanten. Een keer nemen zij ook haar papieren af, maar zij heeft nog een exemplaar in haar slip. In november krijgt zij van Dóra een filmcamera met het verzoek de dodenmarsen te filmen, een plaats in een open vrachtwagen die naar het westen van het land rijdt is ook geregeld. Onderweg ziet zij de colonne joden die te voet van uit Budapest richting Oostenrijk trekt. Pijlkruisers en Hongaarse politiemannen begeleiden de stoet, wie niet meer kan schoppen en slaan zijn, wie achterblijft wordt neergeschoten, een Pijlkruiser steekt een hoogzwangere vrouw met een bajonet in de buik. Tijdens deze winterse tocht blijft zij filmen, later hoort zij van Dóra dat de film is gelukt en aan de Zweden is doorgegeven.

Eind december krijgt zij in het pension waar zij verblijft de waarschuwing dat Pijlkruisers voor haar aan de deur zijn geweest. Sinds die haar Zweedse papieren hebben is zij daar niet meer veilig, zij vraagt Géza om hulp. Hij brengt haar onder in het Gellért-hotel, waar ook de staf van de Duitse Wehrmacht zit. “Daar zullen ze jou niet zoeken.”, zegt Géza, samen brengen zij daar ook de jaarwisseling door. Maar ook hier vallen de Pijlkruisers binnen in de schuilkelder, na controle van haar paspoort houden zij haar aan. Met zeven anderen arrestanten staat zij in de hal van het hotel, als er plots luchtalarm klinkt klampt zij een passerende officier van de Wehrmacht aan. Zij verklaart hem in het Duits haar situatie en vraagt hem te helpen. Hij roept twee soldaten en neemt haar als ‘gevangene’ mee, met een auto voert hij haar weg en laat haar, zoals beloofd, na een paar honderd meter weer vrij. Dan staat zij aan de oever van de Donau, ontsnapt aan de executie van de andere arrestanten.

Waar moet zij naar toe? Dan herinnert zij zich het Szikla Kórház, Rotsziekenhuis, een noodhospitaal onder de Burcht, waar Otto, een neef van Dóra, als arts werkzaam is. In dit ziekenhuis, een doolhof van onderaardse gangen en grotere ruimten, die in de tufsteenrotsen zijn uitgehakt, was zij al eens eerder geweest. Er zijn geen ramen, in de gangen liggen de gewonden zij aan zij, het is er warm, ruikt duf en stinkt er, toch besluit zij via een ingang aan de westzijde van de Burcht daar naar binnen te gaan. Zij weet vrijwel niets van ziekenverpleging, maar zij kan zich wel nuttig maken met het heen en weer brengen van po’s, patiënten een glas water brengen of alleen maar hun hand vast houden. Tijdens vuurpauzes helpt zij met het naar buiten brengen van de lijken. Men werkt er onvermoeibaar, dag en nacht, ’s avonds valt zij uitgeput in slaap.

Op 12 februari 1945 komen enkele  hoge Russische officieren binnen, die waarschuwen voor de troepen van het Rode Leger, die in aantocht zijn. Zij trekken rovend, plunderend, verkrachtend en moordend rond. De huizen op de Burcht zijn totaal verwoest, straten en pleinen zijn bezaaid met lijken van Duitse soldaten. Op een dag komt Dóra’s oudste zus en vertelt haar dat die sinds half januari in sinds half januari in het gebouw van het Zweedse gezantschap is. Het gebouw is door de Russen geplunderd, het personeel is vertrokken, Dóra is alleen achtergebleven en ligt met dysenterie op bed. Met Otto gaat zij naar haar toe, hij kan niet veel meer doen dan haar een morfine-injectie geven. Dóra vertelt dat Raoul Wallenberg met zijn chauffeur begin januari naar Debrecen is vertrokken, sindsdien is er niets meer van hem vernomen.

Spoedig is de oorlog in Hongarije voorbij, het land is nu bezet door de Russen. Anna kan niet naar Nederland, naar haar moeder, haar Nederlandse paspoort is zoek geraakt op het Hongaars ministerie van Buitenlandse Zaken en er is geen Nederlands consulaat meer in Budapest.

Via Dóra, die bij een geallieerde controlecommissie werkt, krijgt zij papieren, waarmee zij in november naar Salzburg kan reizen, maar verder geraakt zij niet, vóór kerstmis keert zij met een trein van het Rode Kruis weer terug naar de Hongaarse hoofdstad.

Als zij hoort dat de Franse zaakgelastigde in Hongarije ook de Nederlandse belangen vertegenwoordigt, gaat naar zijn kantoor. De kennismaking met Faure is het begin van een vriendschappelijke relatie en leidt later zelfs tot een verloving. Hij neemt haar in april 1946 met een militair vliegtuig mee naar Parijs en zorgt voor de nodige papieren, zodat zij met de trein naar haar moeder in Amsterdam kan gaan. Na een maand vertrekt zij naar Praag om er een verbindingsofficier van de Nederlandse missie op te halen die naar Budapest zal gaan. Zij leert er Frank Gobets kennen, een luitenant die tot de staf van prins Bernhard behoorde, het valt op omdat hij een arm en een been mist. Hij is toegevoegd met de opdracht informatie door te geven over de aanwezigheid van Russische troepen en materieel. Nu gaat hij Nederlandse onderdanen opsporen die nog in Hongarije en Roemenië zijn achtergebleven. Faure stelt hun zijn auto ter beschikking, die meestal door Anna wordt bestuurd. Op 29 juli 1946 huwt hij met de Hongaarse gravin Ilona Esterházy, begin augustus moet hij hals over kop naar Wenen vertrekken, omdat hij geen Russische verblijfsvergunning meer krijgt. Daarmee is ook Anna’s werk voor de Nederlandse missie ten einde.

In de zomer van 1948 wordt Faure overgeplaatst naar Praag en zij is hem gevolgd, maar bezoekt nog vaak haar vrienden en kennissen in Hongarije. Dóra, haar vriendin, die met haar kinderen in Budapest woont en werkt voor de Amerikanen, voelt zich niet meer veilig en wil het land verlaten. Voor haar zelf zou dat wel lukken, maar niet voor de kinderen. Spontaan biedt Anna aan die met de trein naar Amsterdam te brengen, wat niet zonder problemen in oktober toch gelukt. Een maand later komt Dóra veilig in Oostenrijk aan.

Anna kan nu Hongarije achter zich laten. De relatie met Faure bekoelt van haar kant, toch verloven zij zich en willen in mei 1950 trouwen. Maar zover komt het niet, Anna zoekt nieuwe avonturen en relaties, in 1953 trouwt zij met een Zwitser in India. In 1967 houdt zij het ook voor gezien en in de herfst wordt de scheiding in Amsterdam uitgesproken. Zij heeft intussen Jan van Oldenborgh, een Nederlander die bij de KLM werkt, leren kennen. Omdat zij in Nederland niet zo snel kunnen trouwen, gaan zij naar Denemarken. Het nieuws van hun huwelijk op 28 maart 1968, haalt zelfs het nieuws met een foto op de voorpagina van een Deense krant. Anderhalf jaar later vliegen zij naar Budapest, zij logeren in het Gellért, waar zij een kwart eeuw tevoren ter nauwer nood aan een executie is ontsnapt. Pas later, in hun flat in Portugal krijgt zij een nachtmerrie. “Waar is mijn revolver?” roept zij, de volgende dag wil Jan er over praten, maar zij praat er overheen, het was maar een droom. Maar Jan vraagt door en dan komt de doos met brieven, papieren en documenten  te voorschijn, die zij tientallen jaren niet had geopend, om alles te kunnen vergeten en verdringen. . . 

Het verhaal met de traumatische gebeurtenis met het pistool, moet u zelf lezen in dit boek, evenals de andere gebeurtenissen die hier niet of slechts summier beschreven zijn. Zij wil van alles de waarheid weten, wie was Géza werkelijk, zijn dubbelleven, daarover ervaart zij veel als zij enkele ontmoetingen heeft met diens dochter, die dan in Duitsland woont. Een onthullend boek over een bijzondere vrouw in een gruwelijke tijd in Hongarije.

 

                                                                                                          Leo BOODE