Bartók, het grote voorbeeld

Naar aanleiding van het Bartók-jaar (Béla Bartóks 125e geboortejaar 2007), zijn in Hongarije te zijner ere verschillende interessante muzikale projecten tot stand gekomen. Deze grote Hongaarse componist, pianist en etnomusicoloog heeft immers een enorme waarde gehad voor de Hongaarse muziek in het algemeen en voor de Hongaarse volksmuziek en volkscultuur in het bijzonder.

Ferenc Kiss kwam in 2006 met Szerelemajtók (Liefdesdeuren), de groep Fonó presenteerde al eerder Túl parton (Aan de overkant) en László Kelemen tenslotte nam in 2007 met Ágnes Herczku de cd Magyar Népdalok énekhangra és zongorára (Hongaarse Volksliederen voor zang en piano) op.
Leidraad voor deze producties is het slaan van een brug tussen Bartóks klassieke werk en zijn authentieke bronnen. Terwijl op de eerste twee cd’s een keur aan coryfeeën uit de Hongaarse volksmuziekwereld mee-speelt, heeft László Kelemen het op zijn cd sober gehouden: alleen zang en piano. Dit artikel gaat over de cd van Kelemen en Herczku. Invalshoek is de vraag in hoeverre het hun gelukt is een geslaagde verbinding te maken tussen verschillende muziekgenres.

Bartóks bedoelingen
Producer Laszló Kelemen is niet de eerste de beste. Hij is directeur van het Hagyományok Háza (de behoeder van het Hongaarse culturele erfgoed) en ex-lid van de legendarische groep Ökrös, die in de jaren negentig en in 2007 met veel succes door Nederland toerde. Ik was dus erg benieuwd naar zijn project. In de toelichting op de cd beschrijft hij het gevoel van vervreemding en verwarring dat hij altijd onderging als hij kennisnam van vocale uitvoeringen van Bartóks volksmuziekinterpretaties. De prachtige muziek waar hij zo dol op was werd er naar zijn mening eerder door verborgen dan verhelderd. In Bartóks tijd was het uitvoeren van de traditionele boerenmuziek in een concertgebouw echter geen optie.
Bartóks doelgroep was de Hongaarse middenklasse, die niet ingesteld was
op de ongepolijste authentieke dorpsmuziek. Hij zat dus klem tussen zijn eigen intenties en de smaak van zijn publiek.
Kelemen is van mening, dat het altijd Bartóks bedoeling is geweest in zijn interpretaties van de volksmuziek zo dicht mogelijk bij de oorsprong te blijven. Volgens zijn bronnen heeft Bartók door allerlei aanwijzingen geprobeerd om de musici te laten af-wijken van de partituur en bij zijn eigen uitvoeringen deed hij dat ook zelf. Hij zag de beperkingen van de klassieke notatie.
Die gedachte volgend was Kelemens opzet dus om deze muziek weer toegankelijk te maken voor de liefheb-
bers van de Hongaarse volksmuziek. Of hij daarbij de klassieke luisteraars hoopte te behouden vertelt hij niet, maar gezien zijn integere aanpak vermoed ik dit wel.
Belangrijkste troef hierbij is zangeres Ágnes Herczku, met wie hij voor het Hagyományok Háza vaker heeft samengewerkt. Aangezien de Magyar Népdalok zijn geschreven voor klassieke zangers zag Kelemen zich ge-
noodzaakt om de partituur qua toonsoort aan te passen zodat deze geschikt werd voor volkszangeres Herczku. Behalve deze transponering zijn de pianopartijen verder hetzelfde gebleven.

Ágnes Herczku en Julia Hamari
In de nummers 34 en 38 van Most Magyarul! hebt u in artikelen van Endre Abkarovits en Gytha van der Veer kunnen lezen over de interessante ontwikkeling en de laatste cd’s van danseres/zangeres Ágnes Herczku. Op de
prachtige eveneens door László Kelemen geproduceerde albums Arany és Kék Szavakkal (In gouden en blauwe woorden) en Az Örök Kalotaszeg (Het eeuwige Kalotaszeg) heeft zij zich nadrukkelijk op de kaart van de Hongaarse volksmuziek gezet. De Magyar Népdalok van Bartók echter stelden haar voor een geheel andere uitdaging. Haar opdracht was om, begeleid door een klassieke pianopartij, in haar eentje de authentieke sfeer en klankkleur van de volksmuziek terug te brengen. Voorwaar geen kleinigheid.

Toevallig had ik, kort voor de cd van Ágnes Herczku mij bereikte, een ander exemplaar van Bartóks liederen bemachtigd. Op zoek naar vocale muziek van Bartók ontdekte ik een cd van de mezzosopraan Júlia Hamari uit 1992. Vertrouwd als ik was met de liederen van componisten als Schumann, Brahms, Dvořák en Ja-náček was ik benieuwd wat Bartók op dat vlak te bieden had. Vooral Hamari's vertolkingen van een aantal Hongaarse volksliederen wisten mij te bekoren. Júlia Hamari heeft een mooie warme stem met een vibrato dat niet zo overheerst als bij sommige andere klassieke zangeressen.

Een vergelijking
Een vergelijking tussen de twee uitvoeringen is misschien niet helemaal eerlijk maar wel interessant. Hamari is geschoold in het zingen van klassieke liederen en speelt dus als het ware een thuiswedstrijd. Maar als er
iemand is onder de Hongaarse volkszangeressen, die deze handschoen kan oppakken is het volgens mij wel Ágnes Herczku. Zij heeft een wat mildere klank en meer vibrato in haar stem dan veel collega’s. Mijn eerste indruk was dan ook positief en ik besloot tot een intensievere beluistering.

De muziek
Wat de cd van Julia Hamari betreft:
hierop staan naast de tien volks-liederen ook twee door Bartók zelf gecomponeerde liederencycli met pianobegeleiding. Deze composities schreef hij in een periode van isolement, waarin hij op zoek was naar nieuwe wegen en diep afdaalde in zijn zieleleven aan de hand van gedichten van Endre Ady en Klára Gombossy. In het kader van dit artikel voert het te ver op deze liederen diep in te gaan. Ik zal me beperken tot de opmerking, dat ze indruk maken door hun doorleefde melodiëen en hun sprekende pianobegeleiding. Zeer de moeite waard zijn ook de door Kodály georkestreerde versies, waarop de liederen een mysterieuze Wagneriaanse sfeer krijgen.

Terug naar de volksliederen. Op de cd van Agnes staan in het totaal 24 volksliederen afkomstig uit vier cycli. Zeven daarvan staan ook op de cd van Hamari en deze bieden dan ook de beste mogelijkheid om tot een vergelijking te komen.
Bij de eerste beluistering van Júlia Hamari werd ik meteen getroffen door de ritmische pianopartijen en de ongedwongen sfeer van de volksliederen. Voor mij als liefhebber van de Hongaarse volksmuziek bracht het een aangename herkenning teweeg. Binnen de grenzen van haar zangstijl weet Hamari de liederen goed te ver-tolken, maar de gedragen en stevig aangezette zangpartijen zijn soms in strijd met het eenvoudige karakter van de volksmuziek.
Toen ik echter voor het eerst de versie van Ágnes Herczku hoorde was ik aangenaam verrast door de combinatie van haar lichte timbre en volkse fraseringen met het klassieke pianospel. Aan de andere kant: Ágnes Herczku zonder viool, dat is even wennen. Over het algemeen zijn de liederen geknipt voor Hercku met haar warme en wendbare stem. Vooral bij melodieën met veel notenwisselingen voelt zij zich als een vis in het water, bij stukken waar tonen met een behoorlijk volume lang aangehouden moeten worden klinkt haar stem wat minder warm en enigszins geforceerd. Voordeel van deze cd is, dat je meer dan bij de dansbare volksmuziek-cd’s, gaat zitten om de muziek en de teksten tot je door te laten dringen. Herczku weet met haar integere voordracht de vaak verha-lende teksten over het dagelijks leven van plattelandsmensen goed over te brengen. De pianobegeleiding is zeer effectief en er klinken veel ritmische elementen uit de volksmuziek in door.
Niet alleen valt de vergelijking tussen de twee zangversies voor mij ten gunste van Herczku uit, ook de
combinatie van het klassieke pianospel met de zangstijl van Herczku heeft na enige gewenning een bevre-digende uitwerking.
Al luisterend besef je wat een rijke bron de Hongaarse volkmuziek voor ons is. De ene prachtige melodie volgt op de andere. Alleen al daarom verdient deze cd onze aandacht.

De waarde van de 'cross-over'
Muziekstijlen ontstonden in vroeger tijden vaak in gebieden met een eigen plaatselijke cultuur. Rondreizende muzikanten zoals de zigeuners pikten de muziek op en verbreidden deze in andere streken of landen. Door migratie kwamen nieuwe bevolkingsgroepen met elkaar in aanraking, die elkaar cultureel sterk beïnvloedden. In multiculturele samenlevingen als de Oostenrijks-Hongaarse Donaumonarchie, het Osmaanse rijk en de Verenigde Staten van Amerika ontstonden veel interessante mengvormen en nieuwe stijlen. De voortdurende kruisbestuiving tussen verschillende muzieksoorten heeft in onze tijd vooral in de jongerencultuur zelfs geleid tot een haast surrealistische lappendeken van stijlen, waarin niemand meer helemaal de weg weet.

Het mengen van muziekvormen wordt in onze tijd wel 'cross-over' genoemd. Veel musici groeien op met een bepaalde stijl en krijgen na verloop van tijd behoefte om buiten het eigen genre te gaan kijken.
Een goed voorbeeld in de pop/rockcultuur is de singer-songwriter Elvis Costello. Met een van zijn projecten 'The Juliet Letters' creëert hij in samenwerking met het Brodsky Quartet een nieuw soort kamermuziek-
opera. Dit soort experimenten wordt artiesten vaak niet in dank afgeno-men. De mix van stijlen komt kunstmatig over en heeft geen duidelijke meerwaarde. Een veel gehoord commentaar luidt dan ook 'schoenmaker, blijf bij je leest!' Mij schieten moeiteloos diverse voorbeelden te binnen van door mij als mislukt ervaren mengvormen uit de zogenaamde symfonische rock in de 70-er jaren. Toch heeft ooit iemand de eerste stap gezet op het terrein van de succesvolle mixstijlen Rythm and Blues en Country and Western. En met 'The Juliet Letters' heeft Elvis Costello m.i. een interessante mengvorm tussen pop en klassiek gevonden.

Een van de meest omstreden vermengingen is die van klassieke muziek met de niet-klassieke muziek. Musici uit deze muzieksoorten hebben vaak een totaal verschillende scholing of achtergrond en ze gebruiken een andere techniek. Rockzangers bijvoorbeeld gebruiken een zangstem, die dicht tegen de spreestem aan zit en ze zijn voor hun per-formance afhankelijk van versterkingsapparatuur. Klassieke zangers hebben geleerd om zonder elektronische versterking een zaal te bespelen met hun stem, die daardoor een geheel andere klankkleur heeft. Ongeschoolde dorpszangers hebben via mondelinge overlevering een onorthodoxe eigen stijl ontwikkeld, die voor klassiek geschoolde zangers niet geschikt is. László Keleen en Ágnes Herczku hebben zich met hun project dan ook op glad ijs begeven.

Eindoordeel
In de meeste werken van Bartók speelt de volksmuziek een rol. Soms mengt hij ritmische patronen of harmonische motieven door zijn composities, dan weer integreert hij deze elementen zo volledig in zijn werk, dat iets geheel nieuws ontstaat. Bij de Magyar Népdalok is dit niet het geval. Ik zie deze cyclus vooral als een eerbetoon aan de rijke Hongaarse liederencultuur. Bij beluistering van de klassieke versie van Júlia Hamari kan ik genieten van haar uitvoering, maar ik miste toch de specifieke sfeer, die bij deze liederen hoort. Naar mijn mening zijn László Kelemen en Ágnes Herczku erin geslaagd om deze interpretaties van Bartók dichter bij de authentieke bron te brengen. Wat mij betreft is hun cd niet alleen geschikt voor liefhebbers van klassieke- en volksmuziek, maar ook voor een publiek dat luistert naar het singer-songwritergenre. Hopelijk wordt deze cd binnenkort ook in Nederland uitgebracht en onder de aandacht gebracht van een breed publiek. Een tournee van Herczku zou hierbij natuurlijk een prachtige aanleiding zijn. Andere Hongaarse zangeressen hebben ons land al ontdekt, waar blijft Ágnes Herczku?

Gerard Wesselius

Informatie

Béla Bartók: Magyar Népdalok énekhangra és zongorára
Ágnes Herczku zang, Timea Derdj en Margit Kincses piano
László Kelemen selectie en productie
Uitgave: Hagyományok Háza, Budapest HHCD016

BélaBartók: Five songs op.15, five songs op.16, Hungarian folksongs
Júlia Hamari, mezzosopraan, Ilona Prunyi piano, Hungarian State Orchestra o.l.v. János Kovács
Hungaroton Classic HCD 31535