Leo Weiner

Geschreven door Gerhild Tóth-van Rooij, verschenen in Most Magyarul! Hongarije Magazine nummer 60, oktober 2012

De vossendans, evergreen van Leó Weiner

In Hongarije wordt Leó Weiner als één van de leidende Hongaarse musici uit de eerste helft van de twintigste eeuw beschouwd en zijn oeuvre wordt regelmatig uitgevoerd en op cd gezet. De aanstekelijke Hongaarse vossendans of Rókatánc uit de Drei Ungarische Volkstänze of Három magyar népi tánc met een Hochzeitstanz (Lakodalmas), Necken (Incselkedo) en Fuchstanz (Rókatánc), uit 1960, is zelfs een evergreen geworden. (Het oorspronkelijk vierhandige pianostuk wordt in diverse bezettingen gespeeld, o.a. met vijf klarinetten.) Eerder componeerde Weiner een divertimento (1933-1934) met daarin een andere vossendans (op zigeunerdans geïnspireerd), maar de populariteit van de drie Volksdansen oversteeg deze vossendans. Weiner deed geen onderzoek zoals Kodály en Bartók, maar deelde hun belangstelling voor de nationale muziek uit Groot-Hongarije. In zijn composities zijn elementen uit de Hongaarse volksmuziek in zijn harmonische romantische idioom gevlochten. Toen het Hongaars nationalisme klem zat door het toenemende fascisme eind jaren dertig, werd Weiner in zijn composities tot in de jaren vijftig terughoudender wat betreft Hongaarse thema’s. De op 16 april 1885 in Budapest geboren en daar op 13 september 1960 gestorven muziekpedagoog, componist en pianist werd in 1950 en in 1960 geëerd met de Kossuthprijs en in 1953 benoemd tot "Eminent Kunstenaar” van de Hongaarse Republiek.
Wonderkind
Leó WeinerWeiner werd een "wonderkind" genoemd. Hij kreeg zijn eerste piano- en muzieklessen van zijn broer. In 1901, op zestienjarige leeftijd begon hij aan zijn opleiding (tot 1906) aan de Liszt Ferenc Zeneművészeti Egyetem, kortweg Zeneakadémia of Liszt Academie, de belangrijkste muziekopleiding van Hongarije. Die lessen vonden plaats in de “Oude Academie”, met de ingang aan de Vörösmarty utca 35 en de façade aan de Andrassy út. Op 4 november 1875, was hier na voorbereidingen vanaf 1869, door componist-dirigent, pianist Franz Liszt (1811-1886) en componist-dirigent Ferenc Erkel de Nationale Koninklijke Muziekacademie, de Országos Magyar Királyi Zeneakadémia gesticht. Dat er in Budapest een muziekacademie kwam, was een nationale mijlpaal, musici, componisten en docenten moesten vóór de komst van die Academie voor hun opleiding naar het buitenland. In de Oude Academie, een hoekhuis in Renaissancestijl met aan weerszijden een promenade die als ruiterpad dienst deed, is nu op de eerste verdieping het Liszt Museum gevestigd. Het is de voormalige dienstwoning van Liszt, die als hij in Budapest was, hier kon verblijven. Verder accepteerde hij nooit geld voor de lessen en leiding. Op de tweede verdieping prijken reliëfs van Bach, Haydn, Beethoven, Mozart en de oprichters van de academie Liszt en Erkel. Het is in meerdere opzichten een gebouw met geschiedenis. De generatie ‘nieuwe’ Hongaarse componisten waartoe Weiner behoorde en die hier rond 1900 door János (Hans) Koessler werden opgeleid, telt onder meer het illustere viertal: Ernő Dohnányi, Béla Bartók, Zoltán Kodály en Leó Weiner.
Prijzenregen
Leó Weiner won deels tijdens zijn opleiding aan de Academie tussen 1903 en 1908 alle belangrijke Hongaarse en Oostenrijkse prijzen en verwierf op relatief jonge leeftijd internationale bekendheid. Met de Serenade (Serbade), op. 3 voor kamerorkest die hij op zijn eenentwintigste schreef, won hij in 1906 de  Budapest Lipótvárosi Kaszino prijs. Ook won hij de Volkmann Prijs en de Erkel Prijs. Daarnaast was hij de gelukkige winnaar van een bij de Kroning van Franz Joseph uitgereikte speciale reisbeurs, waarmee hij studiereizen maakte en concerteerde in grote muziekcentra o.a. Leipzig, Parijs, Berlijn en Wenen. Later won hij met zijn Strijkkwartet no 2  in 1922 de Coolidge prijs, en de Haynald Prijs voor enkele koorwerken. In die eerste jaren was hij buiten zijn land een gevierd musicus en componist en werd hij de ‘Hongaarse Mendelssohn’ genoemd. Weiner interesseerde zich al vroeg voor de variaties in de Hongaarse volksmuziek en voor de typisch Hongaarse instrumenten tárogató (volksmuziekvariant van klarinet) en cimbalon componeerde hij de Hongaarse Fantasie, waarmee hij de Schwundaprijs won. Deze en andere werken werden al vanaf zijn studietijd door uitgevers in binnen- en buitenland gepubliceerd. Zijn ster rees snel en reeds tijdens zijn studie werd hij benoemd tot repetitor (zangcoach die solisten bijstaat met hun interpretatie van de opera) aan de Komische opera (Népszínház–Vígopera).
Theorie en Compositiedocent
Toen hij terugkeerde van zijn reizen kon hij in 1908 theorie komen geven aan de Liszt Academie, die een nieuw onderkomen had gekregen. In 1912 werd hij daarnaast benoemd tot compositiedocent (en in 1920 tot kamermuziekdocent). Weiner was in essentie een moderne romantische componist die aansloot bij de traditie van Beethoven en Mendelssohn en die beïnvloed is door de Franse componist Bizet. Hij paste geen polytonaliteit of atonaliteit toe zoals Stravinsky, Bartók and Schönberg, en genoot, evenals andere componisten die traditioneler componeerden, in zijn latere carrière minder aandacht. Van zijn composities zijn het strijktrio, de strijkkwartetten en vioolsonate, de Pastorale, Fantasie en fuga voor strijkers en de genoemde divertimenti en een symfonisch gedicht voor orkest bekend. Hoewel van huis uit pianist had hij een opmerkelijke affiniteit met muziek voor strijkers. Ook zijn vele kamermuziek en pianostukken, waaronder de bekende quatre mains Vossendans, zijn geliefde stukken. Ander bekende werken van Weiner zijn zijn humoristische toneelmuziek bij Csongor és Tünde van Mihály Vörösmarty uit 1903, de serenade uit 1906 en Carnaval, een humoreske voor orkest, uit 1907.
Kamermuziekdocent bij uitstek
Leó Weiner was een gedreven docent. Ook toen hij tot professor emeritus werd benoemd bleef hij na zijn pensioen op de Academie lesgeven totaan zijn dood in 1960. Hij heeft ook daarmee een grote impuls gegeven aan de Hongaarse muziek en leidde aan de Liszt academie wereldberoemde musici, componisten en dirigenten op. Bijvoorbeeld János Starker, György Kurtág, Béla Siki en Sir György Solti, die zijn docenten eerde met een mooi uitgebalanceerde cd met hun werk. Andere leerlingen met klinkende namen zijn Antal Doráti Antal,  Dénes Kovács Dénes en cellist Tibor Varga die evenals vele collega’s Weiners invloed de grootste van de academie noemt. “Als je tijdens de dagelijkse kamermuzieklessen van deze alerte grootheid - waarbij alle musici uit zijn klas naar elkaar moesten luisteren en op elkaar reageren - de kleinste oneffenheid in bijvoorbeeld de linkerhand van de pianist niet opmerkte, kon je de les verlaten wegens onoplettendheid.” Diezelfde bevlogen Weiner, hoewel zeer strikt qua kleuring, frasering en stijl, moedigde musici wel aan om binnen muzikale frases stijlvol het rubato te gebruiken, dat kwam de vrijheid van het musiceren ten goede. Spelers uit kwartetten van onder meer het Léner-kwartet, Bartók-kwartet en Weiner-kwartet zijn in deze traditie opgeleid. Het was Weiner die de reputatie vestigde van accuratesse, toonvorming en diepte in de nuances van Hongaarse kamermusici. Zijn eigen werk wordt door eenzelfde muzikale fijnzinnigheid gekenmerkt.
 
Weiner heeft ondanks zijn staat van dienst geen museum gekregen in Budapest zoals Liszt en Bartók. Wellicht is dit mede te danken aan het feit dat Liszt slechts deels in Hongarije verbleef en Bartók ten gevolge van de emigratiegolf rond WO II naar de VS trok, waardoor hun naamsbekendheid wereldwijd vergroot werd. Vergelijkbaar met het ‘uitzwermen’ na de revolutie van 1956 door de beste  musici van de Liszt Academie o.a. Solti, Doráti, Fricsay, Cziffra, Anda en Zathurechky. Wel ‘heeft’ Weiner sinds 1963 zijn Weiner Leó utca, 500 meter van het Nyugati treinstation. Op de hoek met de Nagymező u. mag een plaquette van de hand van beeldhouwer Kovács Ferenc de burgers van Budapest duidelijk maken wie de naamgever van de straat is.  In 1985 doopte de lokale, prestigieuze muziekschool van het elfde district Kelenföld, zich om tot Muziekschool Leó Weiner. Inmiddels is het instituut bevorderd tot Middelbare Muziekvakschool en heeft het talloze gelauwerde leerlingen afgeleverd.
Ook de Liszt academie houdt de herinnering aan Leó Weiner levend. En natuurlijk leeft hij voort in zijn aantrekkelijke muziek en in zijn theorieboek “Analytische Harmonie” uit 1944. Vele generaties zullen nog genieten van zijn werk. De Vossendans die hij aan het eind van zijn leven schreef en die zijn vakmanschap, liefde voor Hongaarse muziek, samenspel en zijn romantische benadering uitdraagt, zal in de diverse interpretaties een brug blijven slaan tussen musici en hun publiek.

Gerhild Tóth-van Rooij