De wijnoogst in Eger in vroeger tijden

Zowel van vaderskant als van moederskant hadden mijn grootouders vroeger wijngaarden.  Wij, kleinkinderen, konden in de herfst dus steeds dubbel genieten van alles wat de wijnoogst met zich meebracht. Toch ging het er bij die wijnoogsten niet hetzelfde aan toe en ook de sfeer was verschillend. De wijnbergen van de familie Gyenge in Kocs en Deménd (nabij Eger) werden nogal bedrijfsmatig geleid, terwijl de wijngaard van de familie Szakácsi in Kis-Eged, om een moderne uitdrukking te gebruiken, meer een hobbytuin was. De wijnoogst in Kis-Eged was dan ook veel leuker, vond ik, ongedwongen en gezellig.


Mijn oom Gyuszi kwam altijd al een dag eerder uit Budapest over en je zag bij hem dan al een gezonde spanning. ’s Avonds kuierden de mannen naar het wijnhuis in Szala om onder het genot van een glaasje wijn even lekker bij te kletsen en de ’strategie’ van de volgende dag te bepalen. In dat wijnhuis was ook een huiskamer met tafel en stoelen en een bank en door het jaar heen kwamen de mannen uit de familie daar wel eens bij elkaar om een kaartje te leggen en een glaasje te drinken.
Als het tijd was voor de wijnoogst, moest dat wijnhuis natuurlijk op orde worden gebracht voor de opslag van de aanstaande oogst. Oom Jani zorgde ervoor dat alle werktuigen, schalen en vaten grondig gewassen en keurig netjes klaar stonden. (Oom Gyuszi heeft een keer een verhaal op rijm geschreven over die voorbereidingen en over de wijnoogst en dat gedicht heb ik nog ergens liggen.)
Als de oogst begon, kwam de hele familie, met kinderen en al, meehelpen. De vrouwen gingen de wijngaard in, plukten de druiven en deden ze in emmers. Hier en daar werd er gezongen. De mannen haalden de druiven op en stortten de trossen uit in grote manden. Onderwijl zaten ze te ginnegappen met de vrouwen. Kortom, het was op de wijnberg een vrolijke boel, vooral als het weer mee zat en er een fraai herfstzonnetje op de Nagy- en Kis-Eged-heuvels scheen.

De kinderen, meestal de jongens, sloegen in een houten kuip de druiventrossen los. Dat ging met een stok met aan het eind dwarstakjes van ongeveer een vinger lang. De druiven werden geplet omdat er dan veel meer in de kuip paste. Na een poosje stampen en pletten kwam er sap vrij en dan konden we eindelijk proeven van de heerlijke zoetige most. We duwden de druiven met een beker naar beneden en schepten zo het zoete sap op. Maar we hielden ons in, want wie te veel dronk, kreeg subiet last van zijn darmen...
Dat was ook het moment waarop de wijnbaas kwam aanzetten met de hydrometer, waarmee het suikergehalte werd bepaald. De meter ging in een glazen cilinder gevuld met most en de wijnboer keek vol spanning toe hoe ver die erin doorzakte. Meteen daarop kon hij plechtig meedelen hoe dat jaar de kwaliteit van de oogst zou worden.

(Buurman Kindornai, die naast ons een wijngaard had, kwam ook altijd meehelpen bij de oogst. Hij was ook belast met de zorg voor de wijngaard van onze familie Szakácsi en hij had dan ook het hele jaar zijn handen vol aan het spitten, snoeien, wijnranken opbinden en andere werkzaamheden. Hij was een zonderlinge mopperkont. Mijn oma noemde hem een ’infame vent’, waarschijnlijk omdat hij er zijn hand niet voor omdraaide om in het voorjaar bij het spitten een stuk grond af te pikken van de grensstrook en aan zijn eigen wijngaard toe te voegen. Op een keer, waarschijnlijk onder invloed van een paar glaasjes van het edele vocht, begon hij te vertellen. Hij schepte op over zijn avonturen in de oorlog, maar vertelde er niet bij welke oorlog. Uit zijn verhaal bleek dat het de Eerste Wereldoorlog moest zijn: „We waren gelegerd in Galicië en na een grote veldslag trokken wij de stad binnen die we net veroverd hadden. Ik reed op mijn paard naar de put op het hoofdplein om hem te laten drinken.... Maar dat paard zette het toch op een drinken! Eén emmer, twee emmers, drie emmers...” Tja, buurman lepelde gewoon het bekende verhaal op van de Baron van Münchhausen! Hoe hij die verhalen van de leugenbaron kende, weet ik niet. En al helemaal niet wat hem ertoe had gebracht om het voor te spiegelen alsof hij het zelf had beleefd. Misschien hadden de kinderen het zelf wel een beetje veroorzaakt, doordat ze zo aan zijn lippen gekluisterd zaten...
Als we het later weer eens over hem hadden en iemand hem nadeed: ’en mijn paard dronk één emmer...’ kregen we meteen weer de slappe lach!)

Onderwijl hadden een paar vrouwen het middageten klaargemaakt. Dat was meestal een ketel goulash waarbij de grote mensen een paar glazen wijn dronken van het vorige jaar. Na eventjes rust en wat gepraat toog iedereen weer aan het werk, al ging het er ’s middags, als de hoeveelheid druiven dat toeliet, kalmer aan toe. In de namiddag kwam de vrachtrijder het grote vat druiven ophalen en bracht het naar het wijnhuis. Daarna hadden wij niet veel meer te doen en gingen we noten rapen onder de boom bij de hut in de wijngaard.
Bij mijn grootouders van de Gyenge-kant ging het er bij de druivenoogst grotendeels hetzelfde aan toe. Toen ik wat ouder was mocht ik met de vrachtrijder mee naar de wijnkelder in de Kisvallei bij de wijk Rác. Daar hielp ik bij het persen van de druiven: de wijnpers werd met de hand rondgedraaid en de most liep in houten kuipen, die, als ze vol waren, om de zoveel tijd moesten worden gewisseld. De most werd daarna in grote vaten overgegoten waarin het gisten kon beginnen.
Ook hier werd er door allerlei familieleden geholpen. Het was dan ook een goede gelegenheid om eens lekker bij te praten, want sommigen zagen elkaar maar eens per jaar, bij de wijnoogst. De familieleden die we niet vaak zagen, vertelden wat ze het afgelopen jaar in hun gezinnen hadden meegemaakt en zij luisterden ook naar onze wederwaardigheden. De wijn van de wijngaard in Deménd, nabij Eger, had dankzij de zonnige ligging op de zuidoostelijke helling een zeer goede reputatie. Mijn grootvader kreeg dan ook een goede prijs voor die wijn en zij konden vrijwel het hele jaar leven van de opbrengst van de wijngaard. Maar voor hoogtijdagen hield hij van die wijn een ’kleine ton’ (een vat van 50 liter) apart zodat de familie er ook van kon genieten. Zelf dronk hij een soort restwijn, die gemaakt was van de overgebleven, uitgeperste, bijna droge druivenmoer (de schillen en pitten) aangelengd met water in een kuip. Bij rode druiven leverde dat dan nog een fraai kleurtje op, maar omdat er nog maar nauwelijks suiker in zat, had die wijndrank slechts een miniem alcoholpercentage.
Mijn grootvader werkte van het voorjaar tot het begin van de winter in de wijngaard. Hij begon in het donker bij het krieken van de dag en kwam pas ’s avonds als het ging schemeren naar huis. Onderweg stopte hij dan ook nog even bij de wijnkelder en na een lange werkdag deed hij zich te goed aan een litertje van het druivenafvaldrankje.
Mijn ouders en grootouders zijn allemaal al lang geleden vertrokken naar de eeuwige wijnvelden of, zo je wilt, de eeuwige landerijen, maar de wijnoogsten uit mijn kindertijd vergeet ik nooit.

(door István Gyenge)