Kleuren en jaren eindelijk verschenen

of hoe het opeens een stuk makkelijker wordt om over je proefschrift te praten

door Hanneke Boode

Margit Kaffka · Kleuren en jaren“Kaffka, met dubbel f en nee, geen familie van…” – zo moest ik vaak, aan een niet-Hongaarstalig gezelschap, de auteur voorstellen aan wie ik mijn proefschrift wijd. Moest, want sinds januari ligt – eindelijk –  de vertaling van wat met enige regelmaat Margit Kaffka’s meesterwerk wordt genoemd – Kleuren en jaren (Színek és évek) – in de boekhandel. De roman, die in Hongarije al in 1912 werd gepubliceerd, is in het Nederlands vertaald door Mari Alföldy.  Een heuglijk feit, want een proefschrift over een Hongaars onderwerp doet met regelmaat menige wenkbrauw fronsen, “Hongaars, zei je?” en, ofschoon mijn aandacht zich niet echt richt op deze roman, kan de lezer zich voortaan wel een beeld gaan vormen bij de sfeer die er in de werken van Kaffka wordt opgeroepen.

Margit Kaffka werd op 10 juni 1880 geboren in Nagykároly, het huidige Carei (Roemenië).  Ze kent een moeilijke jeugd, als zesjarige verliest zij haar vader en haar moeder kan de zorg voor beide dochters niet meer aan. Kaffka’s jongere zusje wordt door de grootouders opgevangen, maar Margit wordt naar katholieke kostscholen gestuurd. Ondanks de moeilijkheden biedt het haar wel de mogelijkheid om verder te studeren, na de middelbare school volgt ze een opleiding tot onderwijzeres. Doordat ze de opleiding niet kan bekostigen, moet ze in ruil voor onderwijs een jaar les geven aan een van de scholen van de zusters, zodoende komt Kaffka in het stadje Miskolc terecht. In 1899 volgt Kaffka een opleiding tot docente middelbaar onderwijs aan het gerenommeerde Erzsébet Instituut te Boedapest. Hier leert ze het bruisende leven van de hoofdstad kennen. In 1904 trouwt Kaffka met bosbouwkundige Brunó Frőhlich en het koppel krijgt een zoon László. Het echtpaar woont en werkt in Miskolc, maar Margit dringt aan op een overplaatsing van het werk van haar echtgenoot, ze verlangt terug naar de grote stad. Het koppel verhuist, maar hun geluk is geen lang leven meer beschoren. In 1910 wordt de scheiding aangevraagd. Kaffka neemt de zorg van haar zoon op zich en combineert de carrieres van schrijver, moeder en lerares. In 1914 trouwt Kaffka voor een tweede keer, nu met de veel jongere Ervin Bauer, broer van de literatuurcriticus Béla Balázs. Als arts wordt hij onmiddelijk gestationeerd in o.a Temesvár, Kaffka blijft in de hoofdstad, maar bezoekt haar man met regelmaat. In december 1918 komt Margit Kaffka op 38-jarige leeftijd te overlijden aan de Spaanse griep, haar zoon sterft een dag later. 

Kaffka’s literaire carriere begint rond de eeuwwisseling. Hoewel Kaffka voornamelijk bekend staat als romanschrijver, maakte ze haar debuut echter als dichter. In totaal verschenen er zes gedichtenbundels tussen 1904 en haar dood. Al snel startte ze met experimenteren in het prozaïsche genre, eerst met novelles – er verschijnen acht bundels- en vanaf 1911 ook vier romans en twee korte romans. Daarnaast was Kaffka ook werkzaam als publiciste en behoorde ze tot de redactie van het voorname literaire tijdschrift Nyugat . Een interessant gegeven, waar Ilona L’Homme ons in haar proefschrift op wijst, is dat in het eerste nummer van Nyugat, Kaffka een recensie schreef, en pas twee nummers later met een literair werk haar debuut in het tijdschrift maakte, namelijk met de novelle Neuraszténia (1908) . Al deze werken zijn met uitzondering van de romans Hangyaboly en Színek és évek al lang niet meer in de boekhandels verkrijgbaar, maar zelfs in de antiquariaten moet je goed zoeken. 

“Zo heeft een man nog nooit geschreven”, schreef de Hongaarse auteur Zsigmond Móricz  in een recensie uit 1912 naar aanleiding van de publicatie van Színek és évek over Margit Kaffka. Hoewel deze uitspraak bijna een eeuw geleden is neergeschreven, typeert deze mijns inziens sterk hoe er nog steeds over Kaffka wordt gedacht en geschreven. Kaffka kreeg vrijwel onmiddellijk belangstelling van de literaire kritiek, in de vorm van recensies enzovoort. Aan haar positie in de literaire canon mag niet worden getwijfeld: haar oeuvre behoort tot de Hongaarse literaire erfenis. Dat we golven van inclusie en exclusie kunnen waarnemen in dit canonisatieproces is niet eens zo vreemd. Ongeveer een decennium lang werd er over Kaffka gezwegen na haar dood, vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw laait de interesse weer op. Misschien interessant om te vermelden is dat in de jaren ’50 Kaffka’s oeuvre zeer gewaardeerd werd, zo vond de literaire kritiek dat het prima paste in de heersende ideologie van die tijd. Dat kon niet gezegd worden van alle auteurs, denk maar aan Sándor Márai, wiens werk helemaal verboden was. Het heeft echter ook consequenties gehad, daar kom ik later op terug.

Toch stoort er mij iets aan de uitspraak van Móricz: volgens dit citaat schreef Kaffka anders dan haar tijdgenoten. Móricz beoordeelt Kaffka’s werk aan de hand van een onbewuste norm, een ‘mannelijke’ standaard. Volgens de  literaire kritiek uitte Kaffka’s vrouwelijkheid zich op alle niveaus, zoals bijvoorbeeld in subjectkeuze, en manier van schrijven. Kaffka beschreef immers inderdaad bij voorkeur de leefwereld van de vrouw, wat uiteraard alleen op autobiografische elementen kon berusten, aldus de literatuurkritiek. Kaffka’s manier van vertellen is vrij indringend, waarbij veel details pas duidelijk worden door heel aandachtig te lezen, wat dan weer zeer typerend is voor de modernistische stroming.  Net als het feit dat er niet noodzakelijkerwijs iets hoeft te gebeuren in de verhalen van Kaffka, soms zit een personage gewoon te mijmeren in een kamer.
Auteur László Németh, beschreef in 1933 de eerste generatie schrijvers rondom het tijdschrift Nyugat als volgt:

Ady werd de Revolutie, Móricz het Volk, Babits de Traditie, Karinthy de Humor, Kosztolányi de Verfijndheid, Ignotus de Geest, Ernő Szép de Kinderlijkheid, en zo voort […] Margit Kaffka werd, waar de natuur haar voor had aangeduid: de Vrouw. 
Ady lett a Forradalom, Móricz a Nép, Babits a Hagyomány, Karinthy a Humor, Kosztolányi a Finomság, Ignotus a Szellem, Szép Ernő a Gyermekesség, s így tovább. […] Kaffka Margit az lett, amire a természet is kijelölte: a Nő.

Het interessante aan deze uitspraak is dat Németh aan Kaffka’s mannelijke tijdgenoten een eigenschap toekent, die ze kunnen verwerven. Kaffka’s rol bleef echter existentieel en gelinkt aan haar gender  - een rol die cultureel bepaald is en gebaseerd op biologische sekse. Dat Kaffka’s oeuvre vooral over vrouwen ging, de “nieuwe vrouw”, die op zoek is naar zelfstandigheid en een onafhankelijk leven van de man, vond men daarom best vanzelfsprekend, haar gedetailleerde manier van schrijven, met veelvuldig gebruik van kleuren en lange ketens van adjectieven beoordeelde men als impressionistisch, maar toch ook als vrouwelijk.
Mijns inziens heeft het handelen aan de hand van deze ‘mannelijke norm’ verstrekkende gevolgen gehad en is zelfs het huidige beeld omtrent Kaffka dat in Hongarije bestaat hier nog van doordrenkt. Er zijn bijvoorbeeld maar drie monografieën gewijd aan Margit Kaffka, de meest volledige, en uitgebreide, is geschreven door György Bodnár en verscheen pas in 2001 , rijkelijk laat als we dat vergelijken met bijvoorbeeld de andere grote namen uit het literaire veld aan het begin van de twintigste eeuw, zoals Endre Ady, Zsigmond Móricz, Dezső Kosztolányi… Gelukkig heeft de opkomst van genderstudies in de afgelopen decennia getracht om dit beeld bij te stellen, zo heeft men uitgebreid gekeken naar de reacties van de literaire kritiek, naar Kaffka’s vrouwelijke personages. Recent heeft men ook weer opnieuw aandacht voor Kaffka’s modernistische aard. György Rónay schreef eind jaren zestig al dat hij de roman Kleuren en jaren als het Hongaarse moment van het Europese modernisme beschouwde, alleen had men dat de rest van Europa vergeten te vertellen .

Juist deze roman, die inderdaad gelijkenissen oproept met bijvoorbeeld Proust’s A la recherche du temps perdu, is dus nu in het Nederlands verschenen. In dit verhaal maakt de lezer kennis met het hoofdpersonage Magda Pórtelky, een vrouw van in de vijftig, die terugkijkt op haar leven. Een vertelling in de ik-persoon over het lot van een vrouw uit de verarmde gentry-klasse, aan het begin van de twintigste eeuw, over haar twee huwelijken, over hoe zij aan het einde hoopt dat haar dochters een betere toekomst tegemoet zullen gaan, waarin ze een zelfstandiger en onafhankelijker leven kunnen hebben. De zelfmoord van haar eerste echtgenoot wordt zeer afstandelijk en bijna terloops beschreven en dat Magda na de zelfmoord van haar eerste echtgenoot echter geen zorg meer draagt voor hun zoontje, hem achterlaat bij haar schoonouders om zelf in Boedapest bij verwanten te kunnen vertoeven, is een detail dat vaak niet vermeld wordt. Pórtelky gaat in de hoofdstad naar het theater en gaat schaatsen op de ijsbaan, de opties die haar omgeving haar aanreikt om zelf voor een inkomen te zorgen, wuift ze weg. Literatuurwetenschappers László Kemenes Géfin en Jolanta Jastrzebska  schrijven deze houding toe aan de narcistische aard van het hoofdpersonage. Een eigenschap die de Hongaarse literatuurwetenschap van voor de opkomst van de feministische literatuurkritiek in de jaren negentig niet kon en wilde opmerken. Uiteindelijk gaat het hoofdpersonage een tweede huwelijk aan, maar ook dit is geen gelukkig leven beschoren. Na een leven aan de drank overlijdt ook haar tweede echtgenoot. Pórtelky gunt haar drie dochters – over die zoon uit dat eerste huwelijk wordt niet meer gesproken – een betere toekomst, waarin ze niet meer afhankelijk moeten zijn van hun echtgenoot, zijzelf is daar in niet geslaagd, concludeert ze.

De Hongaarse literatuurkritiek heeft mijns inziens vooral de nadruk gelegd op de slachtofferrol van Pórtelky en Kaffka’s personages in het algemeen, wat vermoedelijk deels terug te voeren is op de socialistisch-realistische kaders vanwaaruit lang werd gehandeld. Ik ben er van overtuigd dat het zeer boeiend is om met kritische ogen opnieuw naar het gehele oeuvre te kijken. Ook is het van belang om de voorkeur van de literatuurkritiek te doorbreken, Margit Kaffka als novelleschrijver hoeft niet onder te doen voor haar succes als romanschrijver. De novelles hebben nog heel wat verborgen schatten in zich en zijn rijk aan (vroeg-) modernistische kenmerken. Tevens biedt het positioneren van Margit Kaffka in een groter modernistisch kader nog veel uitdagingen, immers, door de vooroordelen van de Hongaarse literatuurkritiek is hier tot nu toe weinig aandacht aan besteed. Misschien is het juist aan een buitenlander, die met andere ogen naar dit oeuvre kijkt, van belang om er naar te streven Kaffka een bredere plaats in de Hongaarse en Europese canon te verschaffen. Met het verschijnen van de Nederlandse vertaling is in ieder geval een stap in de goede richting gezet! 

Verschenen in Most Magyarul! Hongarije Magazine nr. 50, 2010