Mijn leven lang Hongaars

Over: Egy szabad nő. Erdős Renée regényes élete

Toen ik na een interessante reis door Hongarije en Transsylvanië in 1979 “voor de lol” ging deelnamen aan een cursus Hongaars, wist ik niet dat ik voor de rest van mijn leven daarmee een commitment zou aangaan met deze taal en de hele geschiedenis en cultuur van Hongarije (en zijn buurlanden). Van hobbycursus aan de universiteit werd het officieel bijvak, van zomercursus in Debrecen werd het mijn afstudeeronderwerp aan de Letterenfaculteit en na een half jaartje als beurssstudent in Budapest ben ik nu al ruim 28 jaar docent Hongaars.
 Maar ik leer er nog elke dag bij. Niet alleen omdat er zo ongelooflijk veel Hongaarse woorden bestaan – tuurlijk, dat is zo – maar ook omdat het Hongaars zelf langzaam lijkt te veranderen én vooral, denk ik, omdat ik vroeger het Hongaars uit boeken heb geleerd en van Hongaren die hun taal en cultuur koesterden. Maar tegenwoordig krijg ik veel input van Hongaren die naar Nederland zijn gekomen en mij – deels ook op sociale media – bombarderen met allerlei neologismen en moderne afkortingen uit de spreektaal. In 2008 liet ik al een artikeltje schrijven over de vele afkortingen die het moderne gesproken Hongaars kenmerken. Een soort turbotaal waarin bijvoorbeeld iets wat leuk is niet langer aranyos is maar ari, waarin je naar een cuki gaat, als je naar een cukrászda (konditorei/confisérie) wil en waarin het vak kunstgeschiedenis müvtör heet. De nieuwste is maripöri saviubival. Kijkt u maar eens of u deze ‘geheimtaal’ kunt ontcijferen…

Studie Hongaars en doctoraal Theaterwetenschap
Tijdens mijn studie in de jaren tachtig was het volkomen duidelijk dat de gemiddelde – ook hoger opgeleide – landgenoot vrijwel niets wist van (de geschiedenis van) Hongarije en de Hongaarse literatuur en andere cultuuruitingen. Er waren wel wat boeken verschenen bij uitgeverijen als Meulenhoff (Het volk van mijn poesta (Puszták népe, van Gyula Illyés), vertaald door Antal Sivirsky, 1976) en de serie Hongaars Archief van Jan Cremer, wiens moeder Hongaarse was. Maar deze serie was commerciëel geflopt, omdat, zo vertelde Jan Cremer mij later, de elite in Nederland meer gericht was op Latijns Amerika, dan op het culturele centrum van zijn eigen continent.
Ongetwijfeld door de Koude oorlog tussen West- en Midden-Oost-Europa was er in de jaren zeventig en tachtig een groot gebrek aan kennis ontstaan van wat zich afspeelde aan de andere kant van het IJzeren Gordijn. Ondanks 1956 en voetballer Puskás was er in Nederland maar weinig bekend over de Hongaarse cultuur.  (Overigens is dat tegenwoordig vaak nog steeds het geval, maar daar kan ik in dit artikel niet bij stil staan.) Zo bevatte de lijst modern drama, waarvan ik als student Theaterwetenschap een aantal te lezen toneelstukken moest kiezen, geen enkel Hongaars drama, terwijl het geweldige Az ember tragédiája van Imre Madách al in 1887 in het Nederlands was vertaald door A.S.C. Wallis (en in 1923 heruitgegeven door de Wereldbibliotheek), maar desondanks in vergetelheid was geraakt.

Een en een is twee, ik besloot nog tijdens mijn studie de “lacunes in kennis” aan te vullen door in mijn afstudeerscriptie een overzicht te geven van de geschiedenis, literatuurgeschiedenis en toneelgeschiedenis van Hongarije en ook nog eens aan aantal Hongaarse toneelstukken aan een onderzoekje te onderwerpen. Ik bestudeerde boeken over Hongaarse literatuur en Hongaars drama en las zowel Hongaarse als Engelse, Duitse en Franse bronnen. En zo prijkte een hele reeks Hongaarse mannennamen verbonden aan de wereld van het Hongaarse drama uit de achttiende,  negentiende en begin-twintigste eeuw in de eregalerij van mijn scriptie ‘Tendenzen en ontwikkelingen in het Hongaars drama”: Károly Kisfaludy, József Katona, Mihály Vörösmarty, Ede Szigligeti, Imre Madách, Ferenc Molnár, Gergely Csiky. Ook in overzichten van Hongaarse literatuur kwam en kom ik voornamelijk mannen tegen. Ook hiervan een kleine selectie: Bálint Balassi, Sándor Petőfi, Mihály Vörösmarty, Mór Jókai, Sándor Bródy, Endre Ady, Móricz Zsigmond, Dezső Kosztolányi, Géza Ottlik, Antal Szerb en Sándor Márai.

Hongaarse Salon
En dan is het opeens februari 2011. Aan de universiteit van Groningen doceerde sinds 2009 Edit Zsadányi en zij was door de Hongaarse Salon in Amsterdam uitgenodigd voor een lezing over “Magyar írónők”, Hongaarse vrouwelijke schrijvers. Omdat ik alleen de namen Margit Kaffka en Magda Szabó kende en ik wel open stond voor wat bijscholing, ‘moest’ ik daar natuurlijk bij zijn. Er ging een nieuwe wereld voor mij open.
Zo bleek de bekende schrijver Dezső Kosztolányi opeens een eveneens schrijvende echtgenote gehad te hebben, Ilona Harmos (die ook publiceerde onder de schuilnaam Ilona Görög), over wie ik nog nooit had gehoord, bovendien bleek dat in de eerste helft van de twintigste eeuw de Hongaarse literatuur talrijke vrouwenschrijvers had gekend, die evenwel door de literatuurhistorici van zowel de conservatieve jaren dertig als de communistische tijd categorisch onder de tafel waren geschoven, alhoewel zij in hun eigen tijd redelijk tot zeer populair waren geweest. Bij die lezing hoorde ik voor het eerst ook van Renée Erdős (1879-1956), de eerste Hongaarse vrouw die kon leven van het schrijven.

Erdős Renée
En nu, wíj schrijven 2016, kwam daar afgelopen voorjaar zomaar opnieuw die naam voorbij, Renée Erdős. Egy szabad nő, Erdős Renée regényes élete, Een vrije vrouw, zo luidde de titel van een geromantiseerde biografie over het leven van de schrijfster Renée Erdős, die in 1876 uit een joodse familie was geboren als Regina Ehrental.

 

Zoals zoveel tijdgenoten verhongaarste zij haar naam en ging later ook over tot het katholicisme. Maar als jong meisje – ze was het zevende kind in het gezin – wilde zij meer dan haar zussen, die hun brood verdienden als naaister. Regina-Renée trok naar Budapest, wilde daar eigenlijk actrice worden, maar zag in dat zij elders beter op haar plaats was.  Zij kwam in aanraking met het schrijversmilieu van Budapest en waagde zich zelf ook aan het schrijven van gedichten.  Zij had succes en via een aantal mannen van aanzien die haar steunden, wist zij de kolommen van gerenommeerde tijdschriften te bereiken. Al gauw was zij onderdeel van de literaire scene, sloot vriendschappen en soms ook relaties met schrijvers en invloedrijke politici en oogstte suces met haar gedichten en columns waarin zij haar eigen verlangens naar liefde en evenwichtige (seksuele) relaties tussen man en vrouw onder woorden bracht. Toen in 1905 haar geliefde, de dichter en schrijver Sándor Bródy, een zelfmoordpoging deed, werd Renée, die kort te voren wegens het vele overspel van Sándor een einde had gemaakt aan hun knipperlichtrelatie, door de hele goegemeente verantwoordelijk gehouden voor Bródy’s zelfmoordpoging en er werd een enorme publieke hetze tegen haar ontketend. Dit ging de schrijfster niet in haar koude kleren zitten, ze ging er geestelijk bijna aan onderdoor, maar vond heil in een klooster in Rome, waar ze jarenlang zou blijven.
Het interessante is dat Renée na de Eerste Wereldoorlog wist terug te komen als schrijfster, en een aantal succesvolle romans schreef, die haar zoveel opleverden, dat ze in 1926 een huis kon kopen en kon leven van haar werk. Hoewel haar boeken haar de nodige openlijke kritiek opleverden, waren zij mateloos populair bij jonge vrouwen, die ze verstopt onder hun kussen, verslonden. Haar bekendste roman is A nagy sikoly (De grote kreet), waarin zij onder meer schrijft: “..Ik hou van mannen, niet omdat ze mooi zijn, niet omdat ze intelligent zijn, niet omdat ze hebben gestudeerd, niet omdat het genieën zijn, niet omdat het helden zijn, niet omdat ze tot offers bereid zijn, nee, niet daarom. Maar gewoon, omdat ze mij de roes weten te bezorgen, zonder welke ik niet kan leven!”

“…szeretem a férfit, nem azért, mert szép, nem azért, mert okos, mert tanult, mert zseniális, mert hősies, mert odaadó, nem azért. Hanem szeretem, egyszerűen azért, mert csak ő tudja nekem adni azt a mámort, ami nélkül nem tudok élni!”

De biografische roman is in episoden verdeeld die niet in chronologische volgorde staan. Het boek begint met de zelfmoordpoging en laat in de volgende hoofdstukken zien wat er allemaal voorafgegaan is aan de relatie met Bródy en hoe het zover heeft kunnen komen.  Voor de lezer van nu, de lezer dus van Egy szabad nő, is het zonneklaar dat de schuld niet bij Erdős ligt, maar bij de grillen en de geestesgesteldheid van Bródy, maar dat die zijn uitwerking heeft op Erdős zelf.  Door de structurering zit er de nodige spanning in het boek en de taal is mooi om te lezen. Maar u moet er wel Hongaars voor hebben geleerd…  Ik kijk in ieder geval uit naar het volgende deel, immers de gehele succesvolle periode als romanschrijfster moet nog aan bod komen en de auteur van Egy szabad nő, Anna Menyhért is naar eigen zeggen nog lang niet klaar met Renée Erdős. Intussen kunt u wel een bezoekje brengen aan Renée’s villa in Budapest. Zie daarvoor ons volgende artikel.

Edwin van Schie