Hongaarse bevolkingsgroepen aan de rand van historisch Hongarije

Onderstaand artikel uit Most Magyarul! 33 (2006) vormde het eerste van een serie over Hongaarse bevolkingsgroepen aan de rand van het historische, grotere, Hongarije. Latere artikelen verschenen in MM! 50 (Bereg), MM! 54 (Zoboralja), MM! 55 (Burgenland), MM! 66 (Sáros) e.a.

Inleiding

Aan gene zijde van de oostelijke Karpaten ligt in het noorden van Moldavië het gebied Bukovina, dat ooit deel uitmaakte van de Oostenrijks-Hongaarse Monarchie. In vijf dorpen in dit gebied woonden Hongaren buiten de grenzen van Hongarije. Sedert de negentiende eeuw is meerdere keren geprobeerd hen over te brengen naar Hongarije. In 1883 werd een deel van hen overgebracht naar het Beneden-Donaugebied, in het huidige Servië, oostelijk van Belgrado. Hier stichtten zij de dorpen Hertelendyfalva, Sándoregyháza en Székelykeve. Deze groep staat bekend als de Beneden-Donau-Szeklers en wonen er ook nu nog. Zij vormen de meest zuidelijke Hongaarse enclave. Ons artikel gaat met name over het grootste deel van de Bukovina-Szeklers die tijdens de Tweede Wereldoorlog eerst naar een deel van het gebied Bácska werden gebracht, dat nu tot Servië behoort. Aan het eind van de oorlog moesten zij ook daar weer vluchten en kwamen in het huidige Hongarije.

De lijdensweg van de Szeklers van Bukovina

In dit artikel vertellen wij u allereerst iets over het Szekler-volk en de lokatie van het historische Bukovina.

Wetenschappers bakkeleien nog altijd over de precieze oorsprong van het Szeklervolk. De meningen hieromtrent lopen nogal uiteen. Niet alleen bestaan er grote verschillen tussen de Roemeense en Hongaarse zienswijzen, maar ook Hongaarse wetenschappers onderling koesteren totaal verschillende ideeën. Uiterst conservatieve Roemeense „wetenschappers” beschouwen het Szeklervolk als verhongaarste Roemenen. Sommige Hongaarse deskundigen daarentegen zien in het Szeklervolk de nazaten van Attila’s Hunnen, andere Hongaren denken dat het gaat om de Hongaarse stammen die als eerste het Karpatenbekken in trokken en weer anderen beschouwen de Szeklers als volksstammen die zich ten tijde van de landname (Honfoglalás, zie ook MM! nr 31) in de negende eeuw aansloten bij de Hongaarse stammen.

Deze laatste visie is de meest waarschijnlijke. Immers, de Szeklers  bewoonden na de landname niet alleen de grensgebieden in Transsylvanië, maar ook die in het westen en noorden van het  Hongarije. Volksstammen die zich aansloten bij de Hongaren kwamen namelijk meestal in de periferie terecht. Vandaag de dag heeft de naam Szekler alleen nog betrekking op de bevolking in het zuidoosten van Transsylvanië: in het Szeklerland of Székelyföld. De Szeklers hebben in de loop der eeuwen met name in dit gebied hun aparte status en sociale structuren weten te bewaren.

Terwijl deze aparte status in de andere delen van het land aan het eind van de vijftiende eeuw verdween, behielden de zuiver Hongaarse Szeklers in het Szeklerland echter hun eigen, aparte regionale en bestuurlijke indelingen en speciale privileges. Maar historische en etnografische boeken onderscheiden in de afgelopen twee eeuwen behalve de Szeklers uit het Szeklerland ook die uit Bukovina en het Beneden-Donaugebied en ’csángó’s’uit Deva. Beide laatst genoemde bevolkingsgroepen stammen af van de Szeklers van Bukovina.

Op een hedendaagse kaart vormt Bukovina het meest noordelijke deel van de Roemeense provincie (niet het land) Moldavië. Dit toen nog dunbevolkte gebied kwam in 1775 na de eerste deling van Polen onder gezag van de Habsburgers.

De Szeklers van Bukovina, afstammelingen van de oorspronkelijke grensstreekbevolking, waren afkomstig uit dorpen in de Székely-districten Csíkszék, Háromszék en Udvarhelyszék (Szék is een typisch szekler-woord en was de term voor provincie of district.)

Tijdens de regering van Maria Theresia besloot de Weense defensiestaf tot de inlijving van de afstammelingen van de grensbewakers in Transsylvanië in een op Habsburgse leest geschoeide militaire grenswacht. Deze reorganisatie recrutering ging gepaard met grof geweld, waarbij geen enkele rekening werd gehouden met de aloude vrije rechten van de Szeklers. Aanvankelijk was er veel weerstand onder de bevolking en in december 1763 brak een gewapende opstand uit.

Op 6 januari 1764 sloegen de opstandelingen hun kamp op in Madéfalva om na het Driekoningenfeest een volksvergadering te houden en te trachten met de Habsburgers tot een vergelijk te komen. ’s Nachts werd het kamp echter door de Habsburgers omsingeld en tegen de ochtend brandde het kanonvuur los op de slapende Szeklers. Velen werden bovendien op de vlucht door de doorgedraaide soldaten wreed omgebracht. ’s Ochtends lagen er meer dan tweehonderd lijken in de sneeuw.

Wie wist te ontkomen, vluchtte met gevaar voor het leven over de bergpassen van de Karpaten naar Moldavië. Deze bloedige episode uit de geschiedenis staat bij het nageslacht bekend als de ondergang van Madéfalva, of ook wel als Siculicidium (afslachting van de Szeklers). Uit angst voor de onderdrukking verlieten ongeveer tienduizend mensen huis en haard. Zij zochten en vonden onderdak in dorpen van Hongaren maar stichtten ook eigen nederzettingen. In Moldavië woonden vanaf de dertiende eeuw al continu Hongaren. Roemeense vorsten namen de steeds maar toestromende vluchtelingen, Hongaren en Szeklers, graag op en gaven hun de nodige middelen van bestaan en bescherming. De nieuwe werkkrachten kwamen immers goed van pas op hun landgoederen. De vluchtelingen verwierven allengs een plaats in de Moldavische samenleving.

In 1774 kregen de Habsburgers van de vazal van het Turkse Rijk, de vorst van Moldavië, het door de oorlogen geteisterde, nagenoeg ontvolkte Bukovina in handen. Om deze nieuwe kroonkolonie te bevolken werden kolonisten geworven. Al gauw vestigden zich Roemenen, Oekraïners, Polen, joden, Duitsers, Tsjechen en Slowaken in de valleien van de rivieren Szeret (Siretul), Moldva (Moldova) en Szucsáva (Suceava).

Op instigatie van het hoofd defensiestaf van Wenen, graaf András Hadik, de stadhouder van Transsylvanië, trokken priesters en militairen naar Moldavië om de zich daar schuilhoudende Szeklers op te sporen en over te halen naar Bukovina te komen. Het grootste deel van de vluchtelingen van het drama van Madéfalva was echter al aan het werk in Moldavië en wilde niet verhuizen naar Bukovina. Toch waren er groepen Szeklers die wel verhuisden.

Onder de verzekering van een absoluut pardon trokken in 1776/77 honderd gezinnen van Moldavië naar Bukovina, waar uiteindelijk vijf Hongaarse dorpen werden gesticht: Istensegíts, Fogadjisten, Andrásfalva, Hadikfalva en Józseffalva. In de jaren tussen 1776 en 1786 vestigden zich hier in totaal 2687 personen. Volgens berichten uit die tijd waren dit niet allemaal Szekler-vluchtelingen, maar kwamen er ook gevluchte Transsylvanische Hongaren, Hongaarse deserteurs met hun gezinnen en mensen die al decennialang in Moldavië woonden.

In de nieuwe dorpen, waar de aanblik werd gevormd door de met militaire precisie ontworpen kaarsrechte straten, kwam het leven al snel op gang. Er ontstond een nieuwe etnisch-Hongaarse groep met een eigen gezicht: de Szeklers van Bukovina. Ieder gezin kreeg een stuk land toegewezen. Om een degelijke start mogelijk te maken werden er in het begin ook financiële hulpmiddelen beschikbaar gesteld en waren er belastingvoordelen. De verschillende etnische groepen die de nieuwe provincie bevolkten verdeelden zich al snel over de diverse economische sectoren: Duitsers hielden zich bezig met ambacht en industrie, joden dreven handel, Roemenen werden herders en de Szeklers richtten zich op landbouw en tuinbouw. De inwoners van Andrásfalva gingen paarden fokken ten behoeve van het leger.

Door vererving raakten al na een paar decennia de toegewezen stukken grond versnipperd, waardoor ze niet meer voldoende opleverden om de in omvang gegroeide bevolking te onderhouden. Velen kwamen zonder land te zitten. Wie thuis niet in zijn levensonderhoud kon voorzien ging noodgedwongen zijn brood verdienen op het land van Moldavische grootgrondbezitters.

In 1877 schreef Mihály László, een priester afkomstig uit Bukovina, in Budapest een dramatisch artikel, waarin hij aandacht vroeg voor de deplorabele situatie waarin zich de Hongaren bevonden die aan de andere kant van de Karpaten terecht waren gekomen. Door dit artikel trok het probleem ook de aandacht van de Hongaarse regering, die diverse commissies afvaardigde om de situatie in kaart te brengen. Al gauw was er een grote maatschappelijke betrokkenheid ontstaan: men wilde de Szeklers te hulp komen en hen onderbrengen op kroondomeinen in het Beneden-Donaugebied in het stroomgebied van de rivier. Daar waren er huizen voor hen die door de vorige bewoners waren verlaten. Volgens plan zouden er eerst slechts duizend mensen aan het werk worden gezet in een overheidsproject gericht op de beteugeling van de rivierloop van de Beneden-Donau. Maar veel mensen wilden hun gezinnen niet achterlaten. In mei 1883 vestigden zich uiteindelijk 3520 Bukovina-Szeklers in dit gebied niet ver van Belgrado. In een enorme triomftocht voerden schepen de ’thuiskomers’ aan, onderweg werd aangelegd in tal van havensteden aan de Tisza, waar men de Szeklers gastvrij onthaalde. Een dag later bevonden ze zich opeens midden tussen de moerassen langs de Donau. Velen moesten de winter doorbrengen in plaggenhutten en met bloed, zweet en tranen bouwden ze hun dorpen op: Hertelendyfalva, Sándoregyháza en Székelykeve. Székelykeve werd vervolgens tweemaal geplaagd door overstromingen en moest op een andere plaats worden herbouwd. Maar de strijd tegen de natuur vormde niet de enige beproeving die zij moesten ondergaan. In latere jaren hadden zij onder de Serviërs veel te lijden van assimilatie, uitbuiting, onderdrukking en discriminatie.

In de periode 1880-1910 werden er ook in de Zuid-Transsylvanische provincie Hunyad nog plm. 2000 personen gehuisvest. In Déva, Vajdahunyad en in andere kroondomeinen kregen de mensen aan de rand van de stad stukken grond. Hier bouwden zij hun huizen en in de nabije omgeving vond men werk in de fabrieken. De uniform gebouwde nederzettingen vormden een fraaie aanblik maar werden helaas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw verwoest tijdens de krankzinnige dorpsafbraakprojecten (van Ceausescu). Gelijktijdig met de huisvesting in Zuid-Transsylvanië werden er ook nog in andere delen van Transsylvanië kleine groepen ondergebracht. Van deze mensen is in de loop van de geschiedenis het spoor verloren gegaan.

In 1906 begon onder de Bukovina-Szeklers een grootscheepse emigratie naar Amerika, met name naar Canada (Saskatchwan). Zodra zij er een dak boven het hoofd hadden begonnen ze met de ontginning van de grond. In groepen bewerkten zij het land. De jaren 1906 en 1907 kenden een bijzonder gunstig weerbeeld, waardoor er een recordoogst werd behaald. De kolonisten schreven enthousiaste verhalen naar huis over hun economische vooruitgang. Deze verhalen zorgden ervoor dat het animo onder de Bukovina-Szeklers om te emigreren geweldig toenam. In 1909 emigreerden er 78 gezinnen en 44 gezinshoofden. In dat jaar heerste er echter een enorme droogte op de prairie. Veel van de immigranten trokken naar de steden en zochten werk in de mijnen of fabrieken.

Tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hield de emigratiegolf vanuit Bukovina aan. Velen gingen echter alleen maar om te werken en geld te verdienen en kwamen daarna weer thuis, kochten grond en vestigden zich als hereboer. Maar tijdens de oorlog werden aan de andere kant van de oceaan alle mensen afkomstig uit Oostenrijk beschouwd als vijand en wie nog niet beschikte over een Canadees paspoort werd het land uit gezet. Om aan uitzetting te ontkomen vluchtte men van het platteland naar de steden of zelfs naar Zuid-Amerika.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Bukovina een van de strijdtonelen. Na de vredesonderhandelingen kwam het gebied, tot dan toe onderdeel van het Habsburgse Rijk,  onder Roemeens gezag. Hierdoor werden de Bukovina-Hongaren geheel afgesneden van Hongarije. Zij leefden in onbeschrijflijke armoede en leden zwaar onder het juk van het opkomende Roemeense nationalisme en chauvinisme. Hun enige toevluchtsoord en steun was de kerk. Hongaarstalig onderwijs werd door de Roemenen in de ban gedaan, de onderwijzers grotendeels verbannen. Alleen binnen de muren van kerk kon men nog enigszins de Hongaarse cultuur uitdragen.

Maar spoedig sloeg de ijzeren hand van de oorlog in Bukovina opnieuw toe. In 1938 werden de Duitsers uit de omgeving ’heim ins reich’ gebracht. Toen Duitsland in 1939 Polen binnentrok, ontvluchtten vele Polen het land via Bukovina en lieten er hun sporen achter. Op hemelvaartsdag 1939 brandde het dorp Józseffalva af: van een bloeiend dorp was niet meer over dan een rokende puinhoop. Op een emotionele oproep van de Franciscaner monnik Kálmán Németh die effect had in Transsylvanië en in andere plaatsen in Bukovina, werden er grote hoeveelheden hulpgoederen ingezameld en binnen een paar maanden was het dorp herbouwd! Kálmán Németh verzocht architect Károly Kós om de huizen zo te ontwerpen dat ze demontabel zouden zijn en in geval van nood zo op een trein zouden kunnen worden geladen om elders opnieuw opgebouwd te worden.

Inmiddels had het idee van emigratie naar Hongarije bij hem postgevat. Door zijn activiteiten en met name de acties ten behoeve van het in de as gelegde dorp had hij de Roemeense autoriteiten tegen zich in het harnas gejaagd. Hij werd in de gaten gehouden en voortdurend lastiggevallen. Hij werd van van alles beschuldigd en belemmerd in zijn werk.

In 1940 reisde Németh naar Budapest en probeerde de regering te bewegen de Szeklers over te brengen naar Hongarije. De enige die hij voor zijn zaak wist te winnen was minister-president graaf Pál Teleki. Maar ook deze vond een immigratie nog niet zo een-twee-drie te verwezenlijken en zag alleen mogelijkheden op een later tijdstip.

Vanuit Budapest riep Kálmán Németh dienstplichtige Szekler-jongeren op naar Hongarije te vluchten. En al snel kwam er een trek op gang naar het noorden van Transsylvanië en verder door naar Hongarije. De immigranten verspreidden zich over het gehele land. Zij werden ondergebracht in kampen, in de opnieuw door Hongarije bezette gebieden en in tijdelijke logementen. Het volk van Bukovina was bijna niet meer te houden, maar Hongarije kon eigenlijk niets meer doen aan het vraagstuk van de immigranten. Pál Teleki pleegde bovendien zelfmoord.

In april 1941 trok het Hongaarse leger het gebied Bácska binnen. En nu kon de regering wel zijn medewerking verlenen aan de vestiging van de Szeklers in deze streek. In het voorjaar van 1941 kwamen krachtens het Tweede Weens Besluit de inwoners van alle vijf de Szekler-dorpen van Bukovina – met uitzondering van een enkeling die getrouwd was met een lid van een andere bevolkingsgroep – naar Hongarije. In totaal trokken binnen een paar weken 13198 Bukovina-Szeklers en 1000 Moldavische csángó-Hongaren naar Bácska en vestigden zich in de huizen van verdreven Serviërs. In totaal ging het om 39 dorpen gelegen in het gebied tussen Szabadka (Subotica) en Újvidék (Novi Sad).

De Szeklers dachten met weemoed terug aan huis en haard in Bukovina. Maar in hun nieuwe vaderland kregen alle gezinnen land en een huis. Men ging met een bijna euforisch gevoel van geluk naarstig aan de slag. Er werden kerken, scholen en stations gebouwd en ook op het land ging men ijverig aan het werk. Het naderend onheil werd niet onderkend.

In oktober 1944 moesten ze dan plotseling alles achterlaten en spoorslags op de vlucht slaan voor de terugkerende Serviërs. Nu kwamen ze in Transdanubië, West-Hongarije, terecht. Het in hun verhalen en liedereen zo fraai bezongen „dierbare vaderland” lag echter in puin en kon zijn na tweehonderd jaar teruggekeerde zonen en dochters niet met open armen ontvangen. Een half jaar lang moest men genoegen nemen met een wijkplaats en onderdak in boerenstallen in de provincie Zala.

In maart 1945 kregen de Szeklers op voorspraak van regeringscommissaris dr. György Bodor uiteindelijk hun vijfde vaderland op rij aangeboden: de huizen van verbannen Duitstaligen in de gebieden Völgység, Baranya en Bács-Kiskun werden aan hen toegewezen. Weer werden de uit vijf plaatsen afkomstige groepen mensen over 39 dorpen verspreid.

In 1946 kwamen de uit Slowakije verdreven Hongaren naar Hongarije. En weer moest een deel van de Duitstaligen het land verlaten, zij gingen naar Duitsland. Sommigen mochten in hun dorpen blijven wonen. Een pijnlijke, bittere periode brak aan in Hongarije: de ’opbouw’ van het socialisme, de jacht op koelakken (hereboeren), de collectivisatie en uiteindelijk het jaar 1956.

Na 1956, en op de vlucht voor de tweede grote golf van de collectivisatie, trokken velen richting de hoofdstad en kwamen in Érd terecht. In die tijd woonden er zo’n tweehonderd Bukovina-Szeklergezinnen in dit dorp onder de rook van Budapest, gelegen in de enorm gegroeide agglomeratie. In tweehonderd jaar tijd was dit voor de Bukovina-Szeklers voor het eerst een vrijwillig gekozen woonplaats!

Vandaag de dag worden er geen Bukovina-Szeklers meer geboren, er gaan er alleen nog maar dood. Langzamerhand sterven de ouderen uit, de mensen die alles nog weten, die alles hebben meegemaakt. Hun rijke klederdracht en borduurkunst zijn langzaam aan het verdwijnen. Hun herinneringen worden alleen nog in boeken bewaard en hun liederen zijn alleen nog te vinden op krakende fonograafplaten, op oude bandrecorderbanden en in liederenbundels. En dat terwijl Zoltán Kodály al in 1913 rondtrok in Bukovina. Hoewel hij vele honderden Székely-liederen had verzameld, was hij van mening dat de liederen van de Bukovina-Szeklers tot de parels van de Hongaarse liederen behoorden... Etnografen hebben dan dikke pillen volgeschreven met de volksverhalen van de Bukovina-Szeklers, tegenwoordig is het al mooi als er op een voorleeswedstrijd een of twee ten gehore worden gebracht.

„Mijn dierbare vaderland, wat heb ik misdaan dat ik niet bij u mocht wonen?” en „de weinige Szeklers zijn als een rots en vergaan niet” zingt men op reuniebijeenkomsten met tranen in de ogen. Maar moeten ze wel blijven treuren in de wereld van vandaag? Moeten ze - als het kleine minderheidsvolk dat zij in den vreemde vormden - niet blij zijn dat zij bijna twee eeuwen lang hun Hongaarse identiteit hebben weten te behouden en zijn ze niet beter af eindelijk als Hongaar te mogen leven in het vaderland Hongarije?