Hongaars Archief

Jan Cremer werd geboren op dezelfde dag dat de nazi's de verjaardag van Adolf Hitler vierden en in bevreesd Nederland de staat van beleg werd afgekondigd: 20 april 1940. Hij bracht - als halfwees met een Hongaarse moeder - zijn woelige jeugd door aan de Nederlandse oostgrens, in het door de oorlog geteisterde Twente.

Op 16-jarige leeftijd keert hij de fabrieksstad Enschede de rug toe en meldt zich als beroepsmilitair bij de marine. Daarna trekt hij voorgoed de wereld in en maakt naam als schilder, maar vooral als schrijver en journalist door zonder ontzag over alles te schrijven waarvan hij ooggetuige is geweest, getrouw aan zijn devies: Het leven is een eenmansguerilla.

'Ik Jan Cremer'

Met deze openhartige, niets verbloemende autobiografische ontboezeming zette Jan Cremer zichzelf als schrijver op de literaire kaart van het Nederland van de jaren zestig. In latere tijden is hij vooral als kunstenaar actief: nog onlangs konden de lezers van het collega-blad Italiè Magazine intekenen op een zeefdruk van Jan uit Toscane en ook het benefietconcert ten bate van de Stichting Sint Stephan in Den Haag, afgelopen april, mocht een van Jan Cremer's artefacten veilen.

Wat velen lange tijd niet wisten, is dat Cremer de eerste jaren van zijn leven Hongaarstalig is opgegroeid. Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vestigde zijn Hongaarse moeder zich bij haar geliefde Jan Cremer sr. in Enschede. In 1942 stierf vader Cremer en liet zijn zoontje als halfwees achter bij moeder Matka.

Hongaars Archief

In de tweede helft van de jaren zeventig gaan de Hongaarse è?wortels aan Jan knagen en gaat hij zich - zo schrijft hij in zijn eigen Jan Cremerkrant uit 1983 - "bezighouden met het uitgeven van Hongaarse literatuur". Al zijn bezoeken aan Hongarije en gesprek-ken met de Hongaarse auteursrechtenorganisatie Artisjus, met Nederlandse uitgevers, met ambassade-leden en met mogelijke vertalers resulteren in een eerste project vØ?an zes vertalingen van Hongaarse werken en een groot vat boordevol plannen voor de toekomst. In de reeks Hongaars Archief verschijnen vanaf 1981 De man van goud (JÓKAI Mór), Een vreemd huwelijk (MIKSZÁTH Kálmán), De sterren van Eger (GÁRDONYI Géza), De gelukkige mens (MÓRICZ Zsigmond), Anna (KOSZTOLÁNYI Dezsõ) en Het vijfde zegel (SÁNTA Ferenc). Het zijn zes heel verschillende romans, telkens uit een andere tijd en wereld, die tesamen een overzicht geven van de Hongaarse litera-tuur van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw.

"Helaas zijn de recensenten - vertelt Cremer - in de jaren tachtig meer op Zuid-Amerika gericht, dan op het vooroorlogse Oost-Europa en de markt voor Hongaarse literatuur voor Cremer's Hongaars Archief blijkt mede hierdoor niet groot genoeg."

Zelf echter heb ik in de tijd dat ik in aanraking kwam met Hongarije bijzonder veel plezier beleefd aan De man van goud en De gelukkige mens en ik ken ook vele Hongarije-liefhebbers die boeken uit het Hongaars Archief op de planken hebben staan.

De Hunnen

Waarschijnlijk heeft het werk aan het Hongaars Archief Jan Cremer?s ziel zo geroerd dat hij zelf ook terug ging è?in de tijd en zich bewust werd van zijn afwijkende jeugd: in het door de oorlog geteisterde Enschede leefde hij met een niet-Nederlandse moeder. Behalve van openlijke discriminatie hadden de Hongaarssprekende moeder en zoon ook heel wat te verduren van de hypocrisie van de Nederlandse burger. Oorlogs-verschrikkingen, bombardementen op Enschede (notabene door de Amerikanen!), wangedrag van collaborateurs, lijkenpikkers, hoerenlopers, sadisten - alles wordt door Jan Cremer haarfijn beschreven in zijn huiveringwekkende, maar meeslepende trilogie De Hunnen uit 1984. In drie delen - Oorlog, Bevrijding en Vrede - laat Cremer ons meebeleven wat het betekende om als min of meer buitenlandØ?s kind - als een Hun - te moeten leven in vijandig Twente.

Voorwaar, een strijd van een eenmansguerilla!

Edwin van Schie